Maart

geboren
overleden

1
maart

Jan Eijkelboom (1926-2008)

Marc Dangin (1935-1996)

Karel Eykman (1936)

Dirk Christiaens (1942)

Gert de Jager (1957)

Vian Moo (1961)

Mowaffk Al Sawad (1971)

 

Ed Hoornik (1910-1970)

Jos De Haes (1920-1974)

W.J. van der Molen (1923-?.03.2002)

Vluchtelingen

Omdat ze geen akkers hebben,
geen steden,
geen muziek,
komt de zon en neemt hen mee,
praat met hen over de klei,
over T.S. Eliot
en zijn 'Waste Land',
over hun jeugd
vol zoete herinneringen.

Ze luistert naar hun gebroken levens
en naar hun dromen, die wegrollen.
Zonder twijfel
zal ze bloemtuilen
in hun kussens planten.

Mowaffk Al Sawad
In: Een middag wit als melk (2002)

2
maart

Multatuli (1820-1887)

Mea Mees-Verweij (1892-1978)

Kaat Vandermarliere (1956)

Vrees mij, ik ben kwetsbaar

Ik, vanuit m ’n verloren seizoen,

kijk toe

en niets rondom mij

is nog vanzelfsprekend.

Ik heb niet vergeten

 

De herinnering kleeft als

mos in de hoek van de kamer,

verdriet groeit in m ’n handpalm.

Geduld - als een boom

 

Eens, veel later

- in mijn verloren seizoen -

zal een bijl m ’n hoofd in

twee stukken splijten

Ik zal niet meer weten

wie ik ben,

Ik zal je tweemaal aankijken.

 

Kaat Vandermarliere

Op:   http://www.kaatvandermarliere.be/gedichten

3
maart

Aar van de Werfhorst (1907-1994)

Leo Boekraad (1914-1979)

Geert van Beek (1920-2001)

Jan Veulemans (1928)

Hans Verhagen (1939-2020)

Tjitske Jansen (1971)

Koos Speenhoff (1869-1945)

Clara Eggink (1906-1991)

Voor zijn verjaardag

 

Ik weet de kleur waar hij het liefst op loopt
Ik weet de kleur die hij bij voorkeur draagt

Maar lopen is niet hetzelfde als slapen
en dragen niet hetzelfde als wakker worden.

Ik heb hem dus gevraagd: in welke kleur wil jij het liefste
slapen, in welke kleur wil jij het liefste wakker worden

In de kleur van jouw ogen zei hij, in de kleur van jouw huid.
Ik heb er niet naar gezocht. Ik wist ook zonder zoeken wel

dat er geen winkel bestaat die dekbedovertrekken verkoopt
in die kleuren. Er zit niets anders op. Ik moet voor altijd

bij hem slapen.

Tjitske Jansen
In: Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003)

4
maart

Georgine Sanders (= Tineke Vroman, 1921-2015)

Henriëtte Baart de la Faille-Wichers Hoeth (1872-1940)

Albert Kuyle (1904-1958)

Cees Sanders (1948-1988)

voor Herman Verhaar

Herfst

 

Als in een eenzaam sprookje staan

de bomen over het huis te waken

niet voor eeuwigheid gebouwd

schilfert verf van zijn huid

een huis in zijn herfst

van de man en de vrouw

die gearmd als voor een foto

wachter zijn in

een bij voorbaat vergaan

koninkrijk als erfenis

eigenaars van de herfst.

 

Veel zal geschreven staan

in haar handen dood van haar geest

maar wie kan de schemer

van haar verleden lezen

als is het hier steeds gisteren

bedekt de adem van oude woorden

de ziel van oude dingen

en haar handen vergeeld

in de kom van haar schoot

geven haar schrift niet prijs

verstild is de foto van zoveel tijd.

 

Niet van hoffelijkheid

bestaan ze, de bomen,

maar van wind en ouderdom

kruipen ze tegen de wolken aan

zonder illusie en

vooral zeer vermoeid

bot er geen adeldom

krom en ziek van de tijd

die uitloopt in een dood

van verwaaide takken

en wortels ademloos.

 

Cees Sanders

5
maart

Arthur van Schendel (1874-1946)

Koos van Zomeren (1946)

Herlinda Vekemans (1961)

Peter Abspoel (1962)

Jurre van den Berg (1986)

Over het ontstaan van tijd

 

vijf minuten wuiven van een boomtop

voor jouw ogen zorgvuldig

door alle vijfduizend blaadjes afzonderlijk

als jonge snaken in de wind

opgevoerd

 

dat geeft een zee van tijd

 

als de zee van de hond die op de buik

van een schier geluidloze maar voor het leven lang vergrote aak

onder de brug over de Leie verder de avond inglijdt

 

als de zee van de witte hond

die de tijd wijdbliks en rustig tegemoet ligt

 

Herlinda Vekemans

In: Schrikdraad (2011)

6
maart

Marijke Hanegraaf (1946)

Sjoerd Kuyper (1952)

Saya Yasmine Amores (1965)

Raymond Herreman (1896-1971)

Jan H. Eekhout (1900-1979)

W.J. van der Molen (1923-2002)

Ze stapt op het vliegtuig

Voor het Guggenheim vliegt ze naar Bilbao.
De kunst is in de chaos van de al oude dag

niet bevreesd te zijn voor het opstijgen
en het schijnbaar stille hangen boven de kust.

De zon schittert in autoruiten, een boodschap
van beneden onderschept door haar brein

dat vernuftig netwerk, gebed in vochtig
minder elitair maar noodzakelijk weefsel.

Ze kijkt omlaag op de flinterdunne plaat grond
de delta die zich voortzet onder water

een briesje van het universum en haar kwetsbare land
verdwijnt, ze ziet het heden water worden.

De plezieren van de wijn bulderen door de airbus
en haar visioen vloeit heimelijk.

 

Marijke Hanegraaf

In: Elders slapen de anderen (2016)

7
maart

Nell Creemers Svara (1951)

Theo van Doesburg (1883-1931)

Louis van Abcoude (1944-1967)

Jacques Kruithof (1947-2008)

1.

 

een mens is

tot dingen

in staat

 

zo sloeg ik gister

om de gaten te dichten

nietjes

in mijn sokken

 

Louis van Abcoude

In: tien gedichten alleen (1965)

8
maart

A. Marja (1917-1964)

Hafid Bouazza (1970)

Saya Yasmine Amores (1965)

Albert Verwey (1865-1937)

Kees van Duinen (1907-1950)

Chris J. van Geel (1917-1974)

Jaak Brouwers (1930-2010)

Joop Verhaaren (1949-2016)

schaduw die over was                 

nergens toe diende                       

nam het licht mee                        

dat hem voortbracht

                             

naar                                                  

              een open plek                       

in de luwte                                      

 

licht dat over was

nergens toe diende

nam de schaduw mee

die het voortbracht

 

naar

         een open plek

in de luwte

 

Joop Verhaaren

In: dat belendende hier (2016)

NB: in het origineel staan de strofen naast elkaar)

9
maart

Ed Hoornik (1910-1970)

Clara Haesaert (1924-2018)

Cilja Zuyderwyk (1949)

Koen Peeters (1959)

Hanneke van Eijken (1981)

H.H. ter Balkt (1938-2015)

De kraanvogels

 

Vraag de kraanvogels waar de weg is
die naar de slaap gaat

 

de das verliest zijn haren als kleine pijltjes in het zand
zo weten we altijd de weg terug

 

en waar het stil is en de lucht nog leeg
daar vult de wind de tonen van een lied

 

er zijn walvissen die dromen terwijl ze zwemmen
sommige muizen worden na zeven maanden pas wakker
giraffen en paarden slapen staand

 

is een droom het mistige dat soms over velden ligt
als de zon opkomt?

 

Hanneke van Eijken (1981)
In: Waar slaap van gemaakt is (2021)

10
maart

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Leo Schatz (1918-2014)

Kommil Foo (1965/1969)

Iduna Paalman (1991)

De bruid zegt:

 

Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
- 't Is of 'k met tanden-reek
uw tanden raak...

Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
'k Zie er me lévens-waar
spieglend in zijn...

'k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd...
- Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt...

- Is het een lente-gloed
die dóor me gaat?
Hoe toch uw strak gelaat
me rillen doet...

...'k Voel me zo vreemd, - zo vreemd
bevángen zijn...
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.

 

Karel van de Woestijne

In: Verzamelde gedichten (1953)

11
maart

Ad den Besten (1923-2015)

Frans Vogel (1936-2016)

Daan de Ligt (1953-2016)

Maarten Das (1980)

Anton Martineau (1926-2017)

 

Schuilkerk

(Time-eaten towers that tremble not!)
Edgar Allan Poe – The City in the Sea


Wie haaks op het applaus en vaak als enige
in een menigte de oren spitste, ving zegeningen op.
Fluisterend lazen we de wereld voor
aan vreemdelingen, genade met gedempte stem,
waarboven huiver daverde.

Wie waren wij dat we bleven geloven? Dan weer
sprongen glas-in-loodramen aan biggelen, dan weer
drongen afgoden ons dichtgetimmerd bidden binnen.

Zelfs wanneer we te eten kregen,
humden we in het geheim om iets heiligs,
daar ons welterusten een wensput wakker kuste.

Bijeengedreven bloedverwanten,
gezanten in vijandig gebied.
Een stiller leger bestond niet.

 

Maarten Das

In: Schuilkerk (2009)

12
maart

De Schoolmeester, Gerrit van der Linden (1808-1858)

Jan Emiel Daele (1942-1978)

Fiet van Beek (1959)

Myrte Leffring (1973)

Iris Brunia (1977)

 

Elisabeth Zernicke (1891-1982)

Julia Tulkens (1902-1995)

Drijven

 

Mijn moeder is een eiland
in de tijd
ik zag de ouders van mijn vrienden
ouder worden
ze kregen kwalen, rimpels, ze klaagden
als bejaarden of lagen in
een ziekenhuis

 

mijn moeder niet, zij is een eiland
waar ik naartoe drijf als de stroming
het mij toestaat

 

als jij doodgaat, dan vermoord ik
je, riep ik met overslaande stem
van jeugdigheid en ik was bereid
het zelf te geloven

 

maar nu ik hier sta, aan de rand
van je graf en zand op hout
hoor vallen heb ik spijt

 

dat ik in die tijd niet zei:
als jij doodgaat, sterf ik zelf
en mama, ik ben bang. Neem me

 

in je armen, kus me, streel mijn haren
jij bent mijn eiland voor altijd

 

we lachen harder
dan eigenlijk kan

 

Myrte Leffring

Uit: Om je schouders hang ik de nachten (2015)

13
maart

Jan H. de Groot (1901-1990)

Jan de Roek (1941-1971)

Benne van der Velden (1974)

Eva Schuit (2000)

 

Ik ben de overlevende.


Mijn wild en weelderig, mijn groen gebladerte
geraakt ontkroond;
het gulden boek der liefde raakt beschadigd,
het wild wordt in de weiden afgeslacht,
de reeën aangerand en uitgeroeid;
het gras komt moeilijk en slechts
met haken en ogen overeind,
geraakt vertrapt onder het handgemeen.
De vrees kruipt als een kever met de ouderdom
over mijn huid.

 

Jan de Roek

In: Ik ben de overlevende (2011)

14
maart

Ineke Holzhaus (1951)

Miel Vanstreels (1951)

P.C. Boutens (1870-1943)

Renée Curias Pasture (1927-2010)

Météo

 

We sneden het strogras niet meer
lieten de dag uit onze handen glijden

alleen koel sap hield ons wakker, druiven
tegen de muur zogen wat er nog aan vocht
te vinden was uit versteende grond –

we toetsten météo, stuitten op vluchtelingen
in boten, leerden hedendaagse woorden -
en morgen weer geen regen, ontvingen

bewegende beelden van eendenkuikens
gered uit een put, dierenfilmpjes ingezet
tegen onthoofdingen in naam van een god

we rolden ons om op verdwaalde bedden
hoorden vermagerde koeien roepen om voer
maar elkaar niet meer, wachtten op regen

vreesden de hagel, vreesden elkaar, tot
het water viel, stroomde in beken, rivieren
voor het gewas, de dieren, voor later.

 

Ineke Holzhaus

Op: http://www.inekeholzhaus.eu/gedichten.php

15
maart

Louis Paul Boon (1912-1979)

Patty Scholten (1946-2019)

Zo sta ik nog wankelend

op heel even een been

het hoofd verloren

het hart een donker gat

 

de nacht groeit om me heen

verbergend allen die ik heb bemind

en reeds onder het steenslag weggeborgen zijn

 

nog streel ik mijn kleinzoon

en denk aan de komende dag

waarin hij me niet meer missen zal

 

vaag zal hij zich herinneren

het oude gammele wezen

een stukgereden fiets

en de bel die niet meer ging

 

mijn stad valt open

de muren brikkelen weg steen na steenslag

en de vloedgolf van de grijze oceaan

neemt stilaan bezit ervan

 

alleen een bronzen beeld zal ik nog zijn

en ergens draagt dan

een godverlaten straat mijn naam

waar kinderen spelen

en vrijers in een donker hoekje

dezer l.p.boonstraat staan

 

 

Louis Paul Boon

In: Verzamelde gedichten (1979)

16
maart

Henjo Hekman (1948)

Kasper Peters (1973)

Andries Dhoeve (1908-1993)

Theo Joekes (1923-1999)

F. Starik (1958-2018)

Gans het radarwerk

 

achter je bureau zitten

iets nuttigs doen

of althans die indruk wekken

je papieren verschikken

een slok koffie nemen

in je agenda bladeren

naar de telefoon kijken

 

die niet gaat

omdat aan al die andere kanten van de lijn

 

iemand achter z’n bureau zit

iets nuttigs doet

of althans die indruk wekt

z’n papieren verschikt

een slok koffie neemt

in z’n agenda bladert

naar de telefoon kijkt

 

die niet gaat

 

Henjo Henkman

In: Levenslang tot sluitingstijd (2013)

17
maart

Hans Presseisen (1921-1944)

Inge Tielman (1931-2015)

Nic van Bruggen (1938-1991)

Rense Sinkgraven (1965)

Ed Leeflang (1929-2008)

De ergerlijkste liefdevollen zijn

zij die in de maandberichten vertellen

dat deze kinderen net zo zijn

als wij, dat van hun zuiverheid

te leren valt, dat zij een voorbeeld

kunnen zijn.

 

Als ik over de oude brug loop met haar,

wat zij altijd wil als de wind

niet te krachtig staat,

rijdt elke auto langs haar heen

of hij even makkelijk door de stadspoorten gaat

als door mensen van vlees en been.

 

Want zij loopt in een land

zonder goed en kwaad,

waar een mens zou sterven

meteen.

 

Ed Leeflang

In: {SLEUTELBOS} (1999)

18
maart

Frans Babylon (1924-1968)

Willem Bierman (1948)

Tonnus Oosterhoff (1953)

Wilma van den Akker (1960)

Paul van Ostaijen (1896-1928)

Dirkje Kuik (1929-2008)

Cor Vaandrager (1935-1992)

MARC GROET ‘S MORGENS DE DINGEN

 

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem

                                                                                                                                                                                                                     ploem ploem

dag stoel naast de tafel

dag brood op de tafel

dag visserke-vis met de pijp

                                                                                                              en

dag visserke-vis met de pet              

                                                    pet en pijp

             van het visserke-vis

                             goeiendag

 

Daa-ag vis

dag lieve vis

dag kleine visselijn mijn

 

Paul van Ostaijen

In: Verzamelde gedichten (1992)

19
maart

Noud Bles (1945)

Jan Greshoff (1888-1971)

Fedde Schurer (1898-1968)

Hans Melen (1914-1988)

Hugo Claus (1929-2008)

C.O. Jellema (1936-2003)

Renée Stoute (1950-2000)

Lezerstroost

Wat zullen deze woorden doen
neergeschreven op dit vlakke,
strakke, onherbergzame vel papier.
Misschien worden ze opgenomen,
een ogenblik verwarmd,
een tel bewaard
en daarna als weeskinderen teruggelegd.
Schrijvers zijn verspillers,
maar een lezer
pakt een woord
en als dat spreken wil
is geluk, weemoed of verdriet
wat dichterbij gekomen.
De eenzaamheid van elke lezer en het papier
wordt minder als men weet
dat deze woorden geboren werden
in stilte
in de nacht.
O barenswee.


Noud Bles
In: De rug gestrekt tegen het vergeten (bloemlezing PcN)
 

20
maart

Eddie Besselsen (1956)

Jan Engelman (1900-1972)

J.W. Oerlemans (1926-2011)

VERA  JANACOPOULOS

                                                                                                                                                   

                                        Cantilene

 

Ambrosia, wat vloeit mij aan?

Uw schedelveld is koeler maan

en alle appels blozen

 

de klankgazelle die ik vond

hoe zoete zoele kindermond

van zeeschuim en van rozen

 

o muze in het morgenlicht

o minnares en slank gedicht

er is een god verscholen

 

violen vlagen op het mos

elysium, de vlinders los

en duizendjarig dolen

 

Jan Engelman

In: Verzamelde gedichten (1960)

 

21
maart

Michel Bartosik (1948-2008)

Nadine van Maasakker (1971)

Pim te Bokkel (1983)

Floraliënlaan

 

Teruggevonden, kale, onvast
neergekribbelde afnemende cijferreeks,
angstvallig genotuleerde afgelegde weg

verklapt ten slotte toch hoe iemand
het komen van zijn sterven verbergt, stiekem
zijn stappen telt, hoop
aftrekt, zijn laan in-
slaat, paniek
beaamt

met mijn ogen dicht:

verlegen verloren heer
aan de kant gewankeld
van zijn private kruisweg,
bescheiden discreet graaiend
naar de dichtstbije lucht -

Ik kon haar vervloeken,
de buurvouw die je zag.
'Meneer leek zich te schamen'.

Michel Bartosik

In: Geschreven familie (2003)

22
maart

Arnold Sauwen (1857-1938)

Hein de Bruin (1899-1947)

Jan-Willem Anker (1978)

Aya Zikken (1919-2013)

Rilke

 

Aan U verrukt de rijkdom der gebaren,
de praal der woorden en hun wondre zin,
de wemelende kleur, de glans daarin
van uren vreugd en doodsverdriet van jaren.

 

Bekoringen der liefde en haar gevaren,
het kosmisch spel van lust en tegenzin,
zij maakten in Uw verzen een begin
om de gestalte Gods te openbaren.

 

Wij zeggen niet: zij bleef voor ons verborgen;
wij zagen haar geduid in Uw rubriek,
als avondgloed en ’t scheemren van de morgen,


en als de scherven van een mozaïek.

Hetgeen wij met een schok aan haar herkenden,
dat waren de eigen weelden en ellenden.


Hein de Bruin (1899-1947)

In: Het ingekimde land en andere gedichten (1976)

23
maart

Remi De Cnodder (1919-2017)

Okke Jager (1928-1992)

Robert Joseph (1943-2003)

Rob Goswin (1943)

Menno van der Beek (1967)

Simon Vestdijk (1898-1971)

Max Dendermonde (1919-2004)

ik krijg onverwachts

een heimwee naar de toekomst

mijn verleden zwijgt

 

Robert Joseph

Op: http://www.robertjoseph.nl

24
maart

Willem van Iependaal (1891-1970)

Frank Zeilstra (1958)

Jeroen Mettes (1978-2006)

Pierre H. Dubois (1917-1999)

Dromen en Wonderen VII

 

Wanneer ik oplos in de droom, die ik nooit droom,
wek mij dan niet, maar gun mijn slaap dit recht.
Denk niet van mij, dat ik voor waarheid schroom,
ik wist maar al te vaak: dit is niet echt.
Maar als ik slaap, dan is haar droom in mij
en zegt mij alles wat ik wilde weten,
dat zij nog leeft en mij niet is vergeten
en andere lieve leugens over mij.

 

Pierre H. Dubois

In: In den vreemde (1941)

25
maart

Ton den Boon (1962)

Eva Cox (1970)

Liane Bruylants (1921-2009)

Gedicht voor Frans Buyle

Geen grafsteen werd u gegeven,

geen zerk in marmer of graniet,

uw povere resten zijn verdwenen,

zelfs een houten kruis is er niet.

Dichters hoeven geen obelisken

of tomben gebeeldhouwd uit steen,

geen wierook of chrysanten,

geen zwarte floersen van rouw.

Eén enkel vers

gelezen of gefluisterd

zal in ’t oneindige astrale

verhalen

dat niets van alles

van alles iets

ooit

tevergeefs is geweest.

 

Liane Bruylants

26
maart

Joop Verhaaren (1949-2016)

Tom Naastepad (1921-1996)

Dordrecht

 

Zolang de bomen groen zijn is er hoop.
Mijn vaderen hebben het steeds geweten,
het hout van bomen bood men hun te koop:
koorbanken om het nimmer te vergeten,
weerbarstig hout: wie hebben er gezeten,
brede rivier, aan uw benedenloop?

 

Hardnekkig hopen als de hoop verdort
deed men in Dordrecht, men maakte er banken
dwars tegen de jaarringen, onverkort,
van dik dogmatisch hout zaagt men er planken
om er te zingen en de Heer te danken
wanneer het alom troostelozer wordt.

 

O hoge bomen in de Noorderwind,
koorbankenhout, altijd groene loofbomen,
de Dordtse psalmen hoorde ik als kind
en waar ik ben of weldra nog zal komen:
zolang de bomen groen zijn zal ik hopen,
ik ben mijn vaderen zeer wel gezind.

 

Tom Naastepad

In:

27
maart

Bob den Uyl (1930-1992)

Mien Labberton (1883-1966)

Schemering

 

De droeve schoonheid van vergane dingen

Houdt mij omvangen en heeft, diep ontroerd,

Mijn hart en denken willoos meegevoerd,

Dat starend nu, woelt in herinneringen.

 

'k Hervoel, van weeke weelde zacht beroerd,

Die teere wijding en 't al macht'ger dringen

Tot rijke liefde, als d' ochtend-schemeringen

Door volle zon ten dage opgevoerd.

 

Is dat een stem, die door de stilte gaat,

Die fluisterkoozend zoetjes aan komt zweven,

Met zacht geklank mijn dorstig' ooren lavend?

 

'k Voel om mijn hoofd twee sterke handen beven,

Mijn oog streelt lachend een geliefd gelaat......

Maar ziet al tranend in den vroegen avond.

 

Mien Labberton

In: Schemeringen (1925)

 

28
maart

Astrid Arns (1960)

Chrétien Breukers (1965)

Martien Beversluis (1894-1966)

Het is niet anders

 

Het is niet anders: als taal ben
ik; zelfs mijn vlees is letters
in een bloederige samenhang.

Van het alfabet ben ik doordrenkt.
Mijn bloedbaan murmelt tegen-
spraak, mijn lever klopt een hoofdstuk

uit een boek dat is verzuurd; dit is
mijn lichaam het verkruimelt net zo
snel. Ontferm je over letters die

nog even leesbaar blijven.

 

Chrétien Breukers
In: Het is niet anders (2010)

29
maart

Obe Postma (1868-1963)

Jules de Corte (1924-1996)

R. Dobru (1935-1983)

Geert van Istendael (1947)

Nina Werkman (1947)

Wim Brands (1959-2016)

Jurgen Smit (1972)

Peter van Steen (1905-1972)

Die mensies

 

Voor in de stoet liep stipte plichtsbetrachting,
daar achter, ijver en onkreukbaarheid,
meteen gevolgd door nog een aantal deugden
zoals: efficiency, arbeidsvreugde
en spaarzin, ook zo'n hoge kwaliteit.

Het juiste antwoord op de concurrentie
torste de brandkast met het cijferslot.
Dan, kwam een lange rij herinneringen
en helemaal aan 't eind van alle dingen
de lijkkist, met het stoffelijk overschot.

Jules de Corte
In: Vissen achter het net (1972)

 

30
maart

Gerrit Komrij (1944-2012)
Johan Diepstraten (1951-1999)
Henry Sepers (1955)

 

Erik Menkveld (1959-2014)

Een vreedzaam volkje

 

's Winters vechten we cactussen om
(uit speelse verveling en bij verbod
op tegenstand): volgens overlevering
levensgevaarlijk, maar onder begeleiding
een belevenis. In het voorjaar denken we
niet aan vechten. En sinds de planten
uit hun wortels springen van de droogte
's zomers, heeft een karpersimulator
de smaak van de beproefde vissen
doen vergeten. Een enkeling van ons
klaagt na de schrale bonenmaaltijd
in het najaar zachtjes met zijn kont.
Maar zolang we nog bonen hebben
hoeven we niet te doden.

Erik Menkveld

In: De karpersimulator (1997)

31
maart

Stefan Hertmans (1951)

Martijn Teerlinck (1987-2013)

Willem Kloos (1859-1938)
Seerp Anema (1875-1961)
Ad den Besten (1923-2015)
Ad Beenackers (1944-2012)

 

Zelf-verandering

 

Ik ben te veel een mens geweest,
Een mens, die gilde en klaagde en schreide,
Die dronk zijn glas en vierde feest
En diep-gevoelde dingen zeide.

Nú ben ‘k een delicaat artiest,
Verliefde van zijn fantasieën,
Maar die zich ’t allerliefst verliest
In zijn kokette melancholieën…

Melancholie-om wie? om wat?…
Ik weet niets meer, kan niets meer voelen
Dan zoet gespeel met dit en dat
Van rijmen, zachte, klare, koele.

 

Willem Kloos

In: Verzen (1894)

Inloggen / registreren

Ik ben al gebruiker

Voer uw e-mail adres en uw wachtwoord in om u op de website te identificeren.

 

Wachtwoord vergeten?

 

Schakel JavaScript in om gebruik te maken van onze inlogfunctie

Voer uw e-mailadres in en klik op herstellen. Als u met het ingevoerde adres inderdaad al een account heeft bij ons zult u per e-mail een nieuw wachtwoord ontvangen.

Ik wens gebruiker te worden

Registreren Sluit popup