Januari

geboren
overleden

1
januari

Ben Zwaal (1944)
Marlies Souren (1946)
Henk Beunk (1954)
Rodaan al Galidi (1971)
 

J. Jac. Thomson (1882-1961)
Charles B. Timmer (1907-1991)
Herman Pieter de Boer (1928-2014)
 

De Morgen, openslaand de blanke vleugels,

vliegt naar den hemel op, van weelde dronken;

en ijlings viert bleekende Nacht de teugels,

half staande nog, half in de knie gezonken.

 

De wagen, 't ros en zij, al vage schimmen,

verdwijnen aan den wester-horizont;

de zon spoedt zich in 't oost den hemel te beklimmen:

reeds doet rood-gouden glans zijn komste kond;

 

en een gemompel en gemurmel spreidt

zich over 't veld en ruischt van uit de beken,

strijkt 't bosch in door de jonge twijge' en glijdt

daaruit weer: bijna zingen, bijna spreken.

 

Hoog in de klarende en zuivre lucht

stijgt hij, de Morgen, vast en statig vliegend,

en, op zijn breede, blanke vlerken wiegend,

beluistert hij der aarde zoet gerucht.

 

J. Jac. Thomson

2
januari

Anton van Duinkerken (1903-1968)
Martin Bruyns (1903-1969)
Redbad Fokkema (1938-2000)
Frans Hoppenbrouwers (1940-2013)
Louis van Londen (1953)
Nyk de Vries (1971)
Look J. Boden (1973)
 

Geert van Beek (1920-2001)
Remy C. van de Kerckhove (1921-1958)
 

Krullenbol


Er was een foto van mij in omloop. Maar ik was het niet. Steeds als ik met het beeld werd geconfronteerd, sloeg ik snel de pagina om, ongemakkelijk door die vreemde onbekende ogen. Jaren gingen voorbij. We oefenden zomers in de omgebouwde boerderij van Ursula. We speelden onder leiding van Jan Switters in het voormalig Oostblok. Ik sprak voor het laatst met mijn schoolvriendin tijdens het afscheidsconcert. Ruim een decennium later, in een klein café, niet ver van het pontje, bladerde ik door een stel oude knipsels en stuitte opnieuw op het portret. En pas daar zag ik het. Die jongen met die onbekende ogen. Die krullenbol. Ik was het wel.

 

Nyk de Vries

In: Motorman & 39 andere prozagedichten (2007)

3
januari

Gerard Diels (1897-1956)
Jos Kunst (1936)
Henk van der Waal (1960)
Peter Ghyssaert (1966)
Bernke Klein Zandvoort (1987)
 

Herinnering

 

Droog nu je tranen, er is niets verloren,
dat niet verloren was voor het begon.
Van blind verdriet was vreugde eens de bron,
en rust wordt uit gebalsemd leed geboren.

 

De diepste stem kan toch geen ander hooren.
Elk draagt den sluier dien zijn dwaal-ster spon,
het floers, waarvoor zijn waan een naam verzon.
Elk is gelijkheid slechts in ’t eind beschoren.

 

De wingerd bloeit voor alle lenteluchten
en ieder jaar loopt over ’t oude heen. –
Een kluizenaar leeft van gedroogde vruchten.

 

Ach allen dwalen hunnen weg alleen
van doove sintels en gebluschte zuchten.
De wijn vervloeit, de vaten woekren steen.

 

Gerard Diels

4
januari

Mickey Walvisch (1941-2011)
Pien Storm van Leeuwen (1945-2020)
Lodewijk Ouwens (1949)
Harry van Doveren (1953)
 

Jan Boer (1899-1993)

verstreken tussen paletmes en penseel

 

met aarden fijngewreven

in oliën gelengd

grondt vloeiend vaste hand

laag over laag

tot donker

omber-schaduwend

het kind omvat

 

rondom gezicht en handen

- het peinzen gepenseeld

in sober licht gevouwen -

vonkt losser toets het rossig haar

speelt tafelrood in mouwen

 

langs lemmet laat de lezenaar

zich schrijven

in veeg en streek de toon gezet

ijkt oer de huid

van veel gewreven hout

 

de zoon

- vertrouwd met geuren en gebaren

een oog dat scherp hem schouwt –

dwaalt weg van pen en schrift

 

staart zoekend

zijn gedachten langs

keert in

naar eigen boek

 

de laatste hand

nauwkeurend nog gelegd

aan doek

 

het ogenblik verstreken

tussen paletmes en penseel

 

verstilt

 

leeft voort

in tijdloos

teder beeld

 

Pien Storm van Leeuwen

Bij: Titus aan de lezenaar

In: Door de hand van Rembrandt (2006)

5
januari

A. Viruly (1905-1986)
Amedee Suenaert (1925-2009)
 

A.W. Grauls (1889-1965)

Kwatrijn

 

O God, waarom ben ik te laat geboren?
Slechts aarzelend durf ik nog een mensch mij noemen.
Ik ben een veld, waar in de kale voren
de laatste stoppelvlammen krakend zoemen.

 

A.W. Grauls

In: Oosterse lyriek (1919)

6
januari

Hermien Manger (1903-1988
Liane Bruylants (1921-2009)
Jozefa van Houtland (1930-2019)
Hester Knibbe (1946)
 

Bea Vianen (1935-2019)
Neeltje van Beveren (1977-2013)
 

Palmen

 

Als ik m'n vroegere vriendjes zo'n beetje bij elkaar optel
Zijn het er zeker een stuk of zeven van wie ik houd.
Jaren niet gezien en toch niet vergeten.

Was niet altijd erotiek of zo
Maar gewoon het overrompelende of het behoudende dat in
Zo'n ontmoeting zit. Och, laat maar. Anders worden
De palmen zo jong. Zo machtig mooi.

 

Bea Vianen
In: Over de grens (1986)

7
januari

Reinout Vreijling (1926-2007)
Henk van Zuiden (1951)
 

R. van Genderen Stort (1886-1942)

van auguren en haruspices het naar alle hemelstreken

en naar der ingewanden raadsel ingespannen

en bezorgde staren

 

cypressen zwiepend in een violette nacht

 

de eentonige berusting van eindeloze stoeten

slaven op de akkers en in de marmergroeven

 

van ontelbare ongenoemden het slepend leven

en van weke steden laaiend in het avondlicht

de late pracht

 

aan de grenzen de onrust en het morren

van barbaren

 

meeuwewiekslag over de triremen rottend

op het zilveren strand

 

van cohorten op weg naar smaad en ondergang

in eikenbossen en onafzienbare moerassen

wuivend in de wind de helmbossen en de reeds

geknakte adelaren

 

de schrik van schippers uit Massilia

toen zij uit de bergen weeklagend over

het sterven van de god der velden stemmen

hoorden roepen

 

een tempel verdwijnend in het stuivend zand

 

en van Caesaren de verstarde purperen macht

 

dat alles zag ik op een zondagmiddag

gespiegeld in het nauwelijks doorzichtig

schemer-groene Gallisch glas

opgesteld

in de vitrine van het museum.

 

Reinout Vreijling

In: Ontmoeting, jaargang 16 (1962-1963)

8
januari

Hans Melen (1914-1988)

Louis de Bourbon (1908-1975)

De stilte omheen...

 

De stilte omheen het ouder wordend leven

in 't verre gloren van onaardse kust:

de herfst na zomertijd ons mild gegeven

in weelde van elegisch gouden rust,

 

als avondpeis na dag van stormend streven,

van 't stage rijpen almaar weer bewust

bij tanend licht,

aan 't steigrend licht ontheven,

en 't hart door matte najaarsglans gesust:

 

zo groeien wij in bovenzinlijk stralen

na wilde roes naar buitentijdse droom,

verzadigd en vermoeid van 't aardse dwalen,

naar 't land van diep verinnerlijkte schroom

waar elk van ons, bevrijd van eigen falen,

als een volrijpe vrucht valt van de levensboom.

 

Hans Melen

In: Vlaanderen, jaargang 43 (1979)

9
januari

Frida Vogels (1930)
Gerd Segers (1938)
Theodor Holman (1953)
Karel ten Haaf (1962-2019)
 

Nu kijk je om.

Wat voor je ligt, is droom.

Achter je staan bouwsels die je optrok,

vaak schots en scheef, onaf of alweer puin.

Je kunt niet terug om fouten te herstellen.

De tijd die je was toegemeten, is voorbij.

 

In ’t late licht dat met de wolken speelt verrijzen

gouden paleizen voor de ogen van een kind.

 

Frida Vogels

In: Gedane zaken (2020)

10
januari

Jan H. Eekhout (1900-1978)
Mies Bouhuys (1927-2008)
Jo Verbruggen (1931-2006)

Lucienne Stassaert (1936)
Peter H. van Lieshout (1946-2017)
Saskia Stehouwer (1975)

A. Marja (1917-1964)
Guy Commerman (1938-2019)
 

Een psychiater

 

Soms als er iemand op zijn divan ligt
zich los te kronkelen uit een neurose,
begint hij aan zijn binnenkant te blozen
om wat er gaapt tussen zijn overwicht

en 't knaapje dat nog altijd in hem leeft
met spillebenen, lokken, meide-kleren
en, later, dat hardnekkig masturberen
waarvan zijn moeder nooit geweten heeft.

De angst dat al die anderen 't begrijpen
kan af en toe nog zijn testikels knijpen,
maar laat hem los zodra hij spreekuur heeft.

Alleen die blos – omdat wie tot hem komen
niet weten hoe de droesem hunner dromen
cement wordt waarmee hij zijn vesting bouwt.

A. Marja
In: Traject (1955)

11
januari

John O’Mill (1915-2005)
Karel Soudijn (1944)
Frans Mink (1950-2013)
 

Rudy Witse (1944-2018)

Schoonmaak

 

heel voorzichtig
met haar ragebol
veegt de huisvrouw
in de oksel
van het plafond

giegelend
lacht het gebouw zich in puin

Karel Soudijn
In: Het Kruidenboek (1970)

12
januari

Alain Teister (1932-1979)
Jacques Hamelink (1939)
Cees van der Pluijm (1954-2014)
 

Jan Campert (1902-1943)
Wam de Moor (1936-2015)
Bergman (1921-2009)
 

Werkelijk


Werkelijk,
men moest de steen
met menselijke waardigheid
bekleden, zijn woord
voor menswaardig
aannemen.

Men moest, om nog
in de mens
te kunnen geloven, zijn oor
te luister leggen
bij de steen of met de stem
spreken
van een steen.

Men moest,
om de eerste de beste
steen te citeren,
uit de steenrots een geheel
nieuwe mens
slaan.

Jacques Hamelink
In: Eerste gedichten (1986)

13
januari

Jan de Bas (1964)
Maarten van den Berg (1970)
Kila van der Starre (1988)
 

Ria Scarphout (1930-2009)
Wilfried Adams (1947-2008)
 

Zo is het leven

 

Hond. Vier poten in de mand.
Kijken. Blaffen. Hijgen. Vier
poten uit de mand. Lopen.
Stilstaan. Lopen naar de mand.

Hond. Vier poten in de mand.
Kijken. Blaffen. Hijgen. Vier poten
uit de mand. Lopen. Blaffen.
Hijgen. Hond. Vier poten

in de mand. Kijken. Blaffen.
Hijgen. Zitten. Blaffen Hijgen.
Liggen. Blaffen. Hijgen. Hond.
Vier poten in de mand.


Jan de Bas
In: Dat zijn zo de dingen waar het hier om gaat (2002)

14
januari

Elisabeth Reitsma (1897-1982)
Bernlef (1937-2012)
 

van F.C. Terborgh (1902-1981)

Atlantis

 

Op trage deining rijst

en daalt een boot en rijst opnieuw,

zwaar als het ademhalen van de zee.

 

Langs de verschansing

zakt blinkend

een leeg tabaksblik:

begeerd bezit, gekeurd beneden

in roze palmen van negerhanden.

In ruil aan ‘t touw geknoopt

een roze schelp,

nog in haar binnenste

een verre droom van branding.

 

De schaduw langs den romp wordt zwart

en over lichter golven glijdt het oog

naar kust, naar rots en strand,

het eiland.

 

Vaalroze bergen, kaal,

heel dor; vergaan ivoor,

op kanten glanzend gigantisch gebeente

van een verzonken wereld

in rusteloze

eeuwig woelende zee.

 

Hoog door den hemel dwaalt

een teere stofpluim:

verre herinnering

aan lang vergeten

doem en vernietiging.

 

F.C. Terborgh

In: Raster 2 (1967)

15
januari

Maud Vanhauwaert (1984)
Trefossa (1916-1975)
 

Evarist Verdurme (1895-1914)

Martin Bernard Frenel (1904-1938)

bro

 

no pori mi prakseri noyaso,
no kari mi fu luku no wan pe,
tide mi ati trusu mi fu go
te na wan tiri kriki, farawe.

 

no tak’ na lon mi wani lon gowe
fu di mi frede strei èn krei nomo,
ma kondre b’bari lontu mi so te,
san mi mu du? mi brudu wani bro.

 

na kriki sei dren kondre mi sa si,
pe ala sani moro swit’ lek’ dya
èn skreki tori no sa trobi mi.

 

te m’ drai kon baka sonten mi sa tron
wan p’kinso moro betre libisma,
di sabi lafu, sabi tya fonfon.

 

rust

 

stoor niet mijn denken op dit ogenblik,
roep mij nu niet om waar dan ook te kijken,
vandaag drijft mij m’n hart te gaan
tot aan een stille beek, ver weg.

 

zeg niet dat ik wegvluchten wil
uit vrees voor strijd slechts en geween,
maar rondom mij zovéél rumoer,
wat moet ik doen? mijn bloed wil rust.

 

daar bij de kreek zal ik ‘t droom land zien,
waar alles zoeter is dan hier
en waar geen schrikverhaal mij hind’ren zal.

 

als ik teruggekeerd zal zijn, misschien ben ‘k dan
een beetje beter, ander mens geworden,
die lachen kan, en slaag kan dragen.

 

Trefossa

Op: werkgroepcaraibischeletteren.nl

[Vertaling: Michel Berchem]

16
januari

Nel Benschop (1918-2005)
Ester Naomi Perquin (1980)
 

Dirk Vansina (1894-1967)

Toch wordt het lente

 

En tóch geloven dat het lente wordt,
al valt de koude regen neer in stromen
op kale, zwarte takken van de bomen;
al zijn de dagen lichteloos en kort.

En tóch geloven dat de zon het wint,
al houdt ze zich soms dagenlang verborgen;
zoals een mens, in ’t donker van de zorgen,
soms plotseling een zonnig plekje vindt.

En tóch geloven dat ’t gezaaide graan
ontkiemen zal in koude, zwarte aarde;
zoals God in Zijn Zoon Zich openbaarde:
Die leeft, maar uit de dood is op gestaan.

Nel Benschop
In: Sporen in het zand (1992)

17
januari

Roel Houwink (1899-1987)

W.A.M. van Heugten (1913-1999)

Tom Naastepad (1921-1996)

Joop van den Bos (1928)

Jaap van den Born (1951)

Amy de la Haye (1967)

Ilja Leonard Pfeijffer (1968)

Tijl Nuyts (1993)

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Ontluikend besef

 

Eenzaam ben ik gemaakt, heb ik geschreven,

en als ik schrijf word ik mij pas bewust;

dat kan een nieuw gedicht nooit meer verdrijven,

en ik ga leven alsof dat zo moest.

 

Ik denk daarom dat het niet zonder bidden

verlopen mag, ik ben niet van mij zelf,

ik ben ontleend, een hand die mij zal wikken

heeft al de regels van mijn hand geteld.

 

Twee handen schrijven mij en mijn gedichten,

twee harten kloppen achter ieder woord,

 

mijn ziel een onderhorige gedachte,

broeder portier slaafs aan de kloosterpoort,

 

ik doe open, er staat iemand te wachten,

eenzamer nog, en ik ben diep ontroerd.

 

Tom Naastepad

In: Ontmoeting, jaargang 14 (1960-1961)

18
januari

Gery Helderenberg (1891-1979)

Harry Scholten (1936-1982)
Thierry Deleu (1940-2013)
 

Het gelijke Huis

 

Treurt uw vereenzaamd Huis als 't mijne, met besloten

raam dichte kaam'ren waar het lichte goud nu bleek

vertintte - en op een Meidag soms wel voglen floten

en Moeder ons ellenden naaide steek bij steek?

 

Staan op ivoorne taaflen fijn omrande vazen

vol zware zomerrozen - (en als 't lente wordt

en Pasche een blauwwitte anjelier) - en weidt gij 't waze

gewaad der stilte als om U iedre woordbloem dort?

 

Zingt gij uw Lied bij vlammenhaard: uw klaar kristallen

licht-bloemen lied, dat geurende in uw bleeken mond

zoet, zonder deernis, blad na blad, wil veege vallen

ten beker dien gij - dieper dan mijn Hert - nooit vond?

 

'k Weet niet of U van blijde lamp de winter weelde

met warmen schijn bestraalt - en of uw vader lacht

wen hij van Huize keert - en hij zijn leed bedeelde

en of ge nooit van bange dingen droomt - te nacht?

 

Kom dan - Mijn tafel dekt het huislijk witte linnen

van vrede geurig. Nut mijn brood. Hier is de kruik

met koeler waatre: En eer we een zomersch Lied verzinnen

mijn knaap - drink van den beker dien ik zelf gebruik. -

 

Gery Helderenberg

In: Verzamelde gedichten (1978)

19
januari

Arjan Hut (1976)

Lammert Voos (1962)

Buizerd

 

Boven het maaiveld.

Een kraaienpaar
jaagt eendrachtig een roofzuchtige buizerd
boven het bedauwde maaiveld weg.

Ik hou erg van
voor de hand liggende symboliek
dezer dagen.

Lammert Voos
In: Klaai (2008)

20
januari

Anton Ent (1939)
Koos Meinderts (1953)
Akim A.J. Willems (1974)
 

Amedee Suenaert (1925-2009)
Arie Visser (1944-1997)
Robert Anker (1946-2017)
 

Je rook de trage warmte teer

 

Je rook de trage warmte teer en kroop
bij mij in bed. Je zweeg en keek. Je hand
raakte mijn wang, meer niet. je luisterde
aandachtig, bewoog ternauwernood, wachtte
op de morgen. We lagen daar met droge mond.
Dood was mijn moeder, was ze vermoord?
Heb ik haar laatste woorden niet gehoord?
Je bleef die nacht en bleef bij mij aan boord.

Anton Ent
In: Zwart zilver (1989)

21
januari

Eugène van Itterbeek (1934-2012)
Hans Mellendijk (1951)
 

Pieter Buckinx (1903-1987)
Theun de Vries (1907-2005)
Jan Arends (1925-1974)
 

Ik ben niet bang

 

Ik
ben niet bang
voor wat er
zal gebeuren.

Er zullen
witte dieren
door het veld
gaan lopen
en dat
zal alles zijn.

Jan Arends
In: Verzameld werk (1984)

22
januari

Herwig Hensen (1917-1989)
Gerard Nijenhuis (1932)
Louis van Abcoude (1944-1967)
Delphine Lecompte (1978)
 

Oeverloos 5

 

Waarom zouden in ons geen wonden openblijven ?

Vertrouwen (hoe vaak ook bedreigd)

Hoopt stellig ieder antwoord op te schrijven

Dat ergens pijnlijk in ons zwijgt.

 

Maar wie tot oergronden tastend hoopt door te dringen,

staat onafwendbaar oeverloos:

in alle worpen domme woekeringen

die laf wormstekig zijn en voos.

 

Natuur en toeval wagen alles te gebruiken:

Zondbloed zowel als madelief

En gieren die gulzig naar prooien duiken.

De rest is modder. Vegetatief.

 

Herwig Hensen

In: Achter woordflitsen van krijt (1983)

23
januari

Karel Wasch (1886-1967)
Gwij Mandelinck (1937)
Rik Andreae (1950)
 

A.J.D. Oosten (1898-1969)

Woekerplant

 

Hoe winnen wij de ruimte in
die elke nacht verloren ging?
Het bed dat ons verrukt
lijkt zo versmald

dat wij verwant zijn aan
de plant, die met
een overvloed aan wortels
op de eigen potrand drukt.

Gwij Mandelinck
In: Overval (1997)

24
januari

A. Moonen (1937-2007)

Fata morgana

 

in telkens wisselende luchten

tekent zich groenvakkig hoog

boven Rotterdamse koopmansbeurs

het wereldhandelscentrum af

 

van begane grond tot

hoogste verdieping heerst

bedrijvig oerritme der

werkuren zonder siësta

 

van moment tot moment

worden beslissingen genomen

winst gemaakt of verlies geleden

maar de handelsgeest blijft gelijk

 

A. Moonen

In: World Trade Centre (1987, red. Jana Beranová)

25
januari


Halbo C. Kool (1907-1968)
Karel Vertommen (1907-1991)
Patty Scholten (1946-2019)
Joris Iven (1954)
 

Controlelijst voor reizigers

 

We moeten inpakken en wegwezen, meenemen
wat hoognodig is, paspoort, bankkaart,
ballast achterlaten, vertrouwen hebben
in de bestemming en onszelf, geen geschenken
kopen, herinneringen bewaren, verbroederen
met lokale bewoners, toeristen mijden,
ons ondergraven in het forse gewemel,
reisverzekering, landkaart opbergen,
ons redden met tandenborstel, nagelknipper,
gesprekken voeren over ons noodlot,
aantekeningen maken, verdwalen, verkeren,
terugkeren, zwaarbeladen en mét insectenbeten.

 

Joris Iven

26
januari

Jos van Daanen (1959)
Ronald Ohlsen (1968)
Joris Lenstra (1972)
 

M. Nijhoff (1894-1953)
Shrinivᾶsi (1926-2019)
Okke Jager (1928-1992)
Johnny van Doorn (1944-1991)
 

Ik ga weer terug naar huis

 

Mijn vader zegt dat ik op een zeeman lijk

zoals ik wacht met mijn tas vol vuile was

op mijn rit naar huis

Hij heeft gelijk

 

Voor het treinstation vechten twee meeuwen om een vuilniszak

Ze maken zich groot, pikken naar elkaar, ontwijken elkaars snavelbeet

Een wint er, de ander vliegt op, is er vandoor

 

Ik kijk hem na

Ik wou dat ik die meeuw kon zijn

 

Joris Lenstra

In: Schoon Schip, jaargang 23/4 (2016)

27
januari

Guy Commerman (1938-2019)

Overleven

 

Alles komt terug, zoals de tevreden nacht,
zoals een glimp van blijdschap,
zoals het languit lachen in de naakte zon,
de buigzame muziek van spetterend water.

Wat niet terugkomt, is nooit geweest,
elk verhaal is lichaam, elke zoen is afzondering.

Alleen herrijzenis is wanhopig, goddelijk bedrog,
een steen blijft steen, een wortel groeit,
een schaduw stoeit, overleven is dodelijk eenmalig.

 

Guy Commerman

In: Wat het raadsel achterlaat (2017)

 

28
januari

Wies Moens (1898-1982)
Lizzy Sara May (1918-1988)
Cornelis van der Wal (1956)
Peter Verhelst (1962)
Ramsey Nasr (1974)
 

Martin Carette (1951-2016)

Peter Verhelst ontving afgelopen week de Awater Poëzieprijs 2020 voor zijn bundel Zon:

 

Op een dag zullen we ons niets meer herinneren, maar fronsend, hoofdschuddend

Met een glas wijn in de hand voorgoed tegen zonlicht inkijken –

Laten we dus kussen

Terwijl gouden licht zich door het raam gulpend weer in de lucht gooit

En de wijn weer het glas uit en de fles in schuimt

Vlees zich van onze tanden losmaakt

Weer aan botten en pezen en vuur weer hout wordt

Traag vooroverbuigend met je handen om mijn achterhoofd geklemd

Je vingers opengesperd, je haren voor je gezicht, zwaar ademend

En mijn tong van je geslacht los en wij

Achterwaarts van het bed weg, in onze kleren, de kamer uit, ieder onze eigen weg

Maar je zegt nog iets, vlak voor je achterwaarts de kamer uit gaat

Alsof er iets uit je mond valt

Tussen mijn vingers door, het smelt

Ik hoor je stappen zich verwijderen

Terwijl een druppel de hele tijd opnieuw almaar sneller

Dieper in de vloer dringt

Waarna ik me elke keer niets meer herinner,

Fronsend, hoofdschuddend tegen de zon inkijkend.

29
januari

Willem Hussem (1900-1974)
Hans Plomp (1944)
Lennaert Nijgh (1945-2002)
 

Gaston Burssens (1896-1965)

Mens

 

Het valt me zwaar
van je te houden

 

Heb je vannacht
de jammerklacht
de schuifelende duizendpoot
van duister onbehagen
in de straten van de stad

 

Soms mens,
als ik je zie gaan
met hoeden op en jassen aan
of als ik je zie genieten
op een plekje in de zon.
Soms als ik je voort zie zwoegen
op een rijwiel of op krukken
zou ik je aan mijn hart willen drukken

 

Maar vaak valt het me zwaar
van je te houden
mens

 


 

Hans Plomp

In: Dit is de beste aller tijden (2017)

30
januari

Herman van den Bergh (1897-1967)
Francis De Preter (1932)
Johan Diepstraten (1951-1999)
Bernard Dewulf (1960)
Lynn van Ewijk (1995)
 

Wij doen ondeelbaar, hart aan hart,
maar slapen ieder onze nacht.
Haar lichaam ademt in mij voort
en binnen word ik weggedacht.

Woont daar iemand die bestaat
als zij zich sluit? Alles is
zo denkbaar in dit hoofd, ik
raak er niet in en niet uit.

Ik ken haar enkel in mijn armen,
zij houdt mij eeuwig op de tast.
Zij slaapt en wie is zij
die morgen weer in alles past.

Bernard Dewulf
In: Waar de egel gaat (1995)

31
januari

Anna Blaman (1905-1960)
Jozef Eyckmans (1907-1996)
Alfred Kossmann (1922-1998)
Ria Scarphout (1930-2009)
Anton Korteweg (1944)
Leo Hermens (1961)
 

Jac. Schreurs (1893-1966)
Nel Benschop (1918-2005)
 

Recept

 

men neme
een groot glazen vat
doet er tarwe in en
stopt de hals dicht met
een vuil hemd

 

men wacht
nauwkeurig 21 dagen
dan heeft de geur
van het vuile hemd
zich vermengd
met de materie
van de tarwe

 

daaruit zijn
muizen ontstaan

 

van helmond
(arts, 1577-1644)

 

Jozef Eyckmans

In: zonder dansmeester (1967)

Inloggen / registreren

Ik ben al gebruiker

Voer uw e-mail adres en uw wachtwoord in om u op de website te identificeren.

 

Wachtwoord vergeten?

 

Schakel JavaScript in om gebruik te maken van onze inlogfunctie

Voer uw e-mailadres in en klik op herstellen. Als u met het ingevoerde adres inderdaad al een account heeft bij ons zult u per e-mail een nieuw wachtwoord ontvangen.

Ik wens gebruiker te worden

Registreren Sluit popup