Oktober

geboren
overleden

1
oktober

P.N. van Eyck (1887-1954)

Albert Besnard (1887-1966)
Frans Pointl (1933-2015)
Harmen Wind (1945-2010)
Fred Bloemink (1945-2015)

Slaapster

 

Waar heeft ze dit geleerd, zo licht te
ademen, lippen gesloten, ogen dicht?
Elk vleugje lucht van buiten beurt
van binnen haast onmerkbaar buik
en borsten even op. Wat komt en
gaat verenigt zich in regelmaat.

Waar heeft ze dit geleerd, zo vredig
mee te deinen op een zuchtje wind?
Wie heeft haar wijsgemaakt dat leven
zo eenvoudig is? Ze ligt erbij als
hoorde ze muziek. Rust maakt geen
haast, geeft enkel wat zij neemt.

Waar heeft ze dit geleerd, zo stil
haar lijf alleen te laten op een bed?
Een wimper trilt, een hart tikt in haar
slaap. Dit is nu alles wat ze is, tot een
bloot feit teruggebracht, zolang het
duurt van wat ze heeft geleerd bevrijd.

Harmen Wind
In: Buiten adem (2001)

2
oktober

Nes Tergast (1896-1974)
Joost Baars (1975)
 


Corly Verlooghen (1932-2019)
Peter Heringa (1945-1987)
 

Mijn Geheim

 

Dit is dan mijn geheim

als helderziende

voor de verdrukten

een pleidooi te houden

als dichter der moderne tijd

weigeren te sterven

aan het kruis der stilte.

 

Corly Verlooghen

In: Kans op onweer (1960)

3
oktober

Freddy de Vree (1939-2004)
Kira Wuck (1978)
 

Ward Ruyslinck (1929-2014)
André Desprit (1938-1997)
 

Venetië 9

 

De natte watten van de stad
hebben we verlaten.
Nu wendt de van koper spattende steven
zich naar het smeltwerk van zon en zee,
net voorbij de Punta della D.
Rechts deint een kleiner eiland met een abdij,
waar Unesco tijdelijk haar kwartieren heeft,
en Fontana een retrospectieve. Oorlog
wisselt met vrede zoals verkrachting met gebeden.

Freddy de Vree
In: Steden en sentimenten (1976)

4
oktober

Koos Schuur (1915-1995)
Jan Spierdijk (1919-1997)
Jan van der Vegt (1935)
Willem Jan Otten (1951)
Marc Pairon (1959)
Coen Peppelenbos (1964)
 

Leo Schatz (1918-2014)

October

 

De zwanen drijven in zichzelf gekeerd
en de fonteinen hebben ’t lied verleerd,
dat klaterlachte in de zomernachten.

 

de vogels riepen afscheid en het veld
is weer met ravenhorden overstelpt,
die naast hun somber kleed hun doodszang brachten;

 

de bomen hebben aan de wisselwind
hun blaadren afgestaan en reeds begint
de goede regen zijn eentonig praten;

 

de nimfe, die mijn zomerdromen schiep
en blauwe nachten in mijn armen sliep,
heeft mij het park en het paleis gelaten.

 

O park, zonder bruinrood en zonder bloemen;
paleis, nu nauwlijks nog paleis te noemen;
wel zingen ’s avonds sterren aan mijn raam,

 

maar ’s nachts roepen de vissen in de vijver
door de slaap van een eenzaam verzenschrijver
met hun nachtelijk visgeluid haar naam.

 

Koos Schuur
In: Windverhaal  (1941)

5
oktober

K.L. Poll (1927-1990)
Marinus Kanaar (1957)
 

J.J. Slauerhoff (1898-1936)
Jos Vandeloo (1925-2015)
Eddy van Vliet (1942-2002)
 

hand op tafel omklemt

geheugen waaruit rantsoenering

: één woord per liter, men drinkt

zich in, denkt: ‘vrijheid, laat me niet

 

huilen. dit is niet vrijheid dit is altijd

gebeuren, één onzegbaar

verdriet.’ men wil gedrenkt worden

verlangen wil men naar baboe,

 

huizen van melk en steen. hand trilt

werktuiglijk de eerste beweging om

 

telefoon rinkelt; teevee brengt nog

dichterbij

 

- niet opnemen niet aanzetten niet

  dichterbij niet een andere

  werkelijkheid niet nog één

 

, niet deze nee, niet deze

 

Marinus Kanaar

In: Naar Morgen 55 (1986)

6
oktober

Julius de Boer (1873-1995)
Julia Tulkens (1902-1995)
Victor Vroomkoning (1938)
John Irons (1942)
Henri Floris Jespers (1944-2017)
 

Karel van den Oever (1879-1926)
J.M.W. Scheltema (1921-1947)
Jotie T’Hooft (1956-1977)
 

Vakwerk

 

'Praat me niet van sneeuw en ijs'
sprak mijn meelbestoven vader
terwijl hij witbrood in de rijs-
kast schoof, 'daar komt maar dooi van'.

Maar toen hij 's avonds in de maan-
overgoten kerstetalage van zijn tuin
heenkeek over het poedersuikeren
gazon, de borstplaten vijver,
de marsepeinen beelden op hun
sokkels van fondant, knorde hij
voldaan: 'het kan niet anders
of de Schepper moet een bakker wezen'

 

Victor Vroomkoning

In: Ommezien (2008)

7
oktober

Simon Carmiggelt (1913-1987)
Dirkje Kuik (1929-2008)
Catharina Boer (1939-2019)
Marc Eyck (1967)
Lennard van Rij (1980)
Lies Van Gasse (1983)
Maarten Buser (1991
 

Het slijten

 

Van verdriet misschien

-ofschoon dat meestal niet-

meer gewone dingen slijten.

 

Zoals een kledingstuk,

een schoen, mat, stoep

of de rug van een oud boek.

 

Maar ook mijn tijd slijt eens

tot stede waarin niemand woont

meer dan herinnering: dode schelpen,

bewaard uit zich herhalende zee.

 

Red me dan van het verslijten,

in woord en beelden wil ik blijven,

ontmoet me eens in mijn zinnen.

 

Alsof ik nog fluister in de wind,

je omarm in slaande regen

dan, bij jou, steeds dichter

blijf ik.

 

Catharina Boer

In: Voltooid landschap (2019)

8
oktober

Alexis de Roode (1970)

Gerard Bruning (1898-1926)
Tom Ordelman (1957-2016)
 

Mechaniek

 

Een klein metronoom die tikt en draait,
dat is de klok. Neutraal als hekwerkstaal.
Niet wreed zoals het weer, de vrouw, de man..
De klok maakt niemand oud of gek of kaal.

Het koele mechaniek heeft niets met ons
van doen. De wijzers draaien stijfjes door.
Hij komt uit onze hand, maar luistert niet
naar onze nood; hij volgt zijn tandenspoor.

Waarom gehoorzaamt u dat polsgeval?
Waarom zo zweten, janken, al die last?
Wanneer er van je neus een traan in drupt
verliest het ding meteen de maat. Roest vast.

Alexis de Roode
In: Gratis tijd voor iedereen (2010)

9
oktober

Marcel Wauters (1921-2005)
Jan Geurt Gaarlandt (1946)
Jan-hein de Nobel (1967)
 

Charivarius (1870-1946)
Willy Vaerewijck (1914-1982)
 

Ik wandel met de avond mee

donker en donkerder, en vreemder nog.

Lantaarns en bomen koesteren het licht

ik handel zonder enig tegenwicht

koester wat overblijft van oude dingen:

weemoed beloftes en bevestigingen.

 

De vroegste jaren stromen in en uit

mijn tocht loopt overal in bochten

de avond spiegelt zich in elke ruit,

maar hoe ik het verleden meet en pas

ik doem niet op uit wat ik was.

 

In dromen kom ik altijd thuis

jij bent er weer, je armen zijn weer om me heen

het lijkt of ik het leven van je leen.

De tijd bouwt van illusies nest en onderdak

ik kom niet thuis, ik wandel met de avond mee

en camoufleer wat door de oppervlakte stak.

 

Jan Geurt Gaarlandt

In: Tirade 263 (1981)

10
oktober

F. Bordewijk (1884-1965)
Henk Kooijman (1928-1988)
Gerhard te Winkel (1946)
Petrus Hoosemans (1951)
Menno Wigman (1966-2018)
 

Albe (1902-1973)
Jan-Willem Overeem (1942-1979)
 

Stramien

 

De waanzin zelf gaat goed gekleed.
Zijn werk vergt tact, precisie ook.
Dus kruist hij namen aan,

kamt steden uit, tast schedels af.
Veegt hij zijn voeten, is het raak
en stamp het in de nok.

Weer vraagt zijn vrouw naar zijn pensioen.
En hij met noodweer nog op pad.
Niet snik. 'Verkeerd bedraad.'

Van Luther met zijn inktpot tot Feith,
van Freud tot jou en mij geen mens
die zijn stramien begrijpt.

Menno Wigman
In: Mijn naam is Legioen (2012)

11
oktober

G.J. Resink (1911-1997)
Ton Lebbink (1943-2017)
Martin van de Vijfeijke (1945)
Dean Bowen (1984)
 

AGDE SUR MER (1)

 

Het regent.
Het regent dreigend laag te hangen.
Twee bange benen in een broek vol zadelpijn.
Ik ga schermutselen met grenzen.
Agde sur Mer is ver.

 

De natuur zwijgt.
Stomgeloeide vogels door het uitje van een motorclub.
Stieren tieren zielig tussen vliegen en een Wielewaal.
Agde sur Mer is ver.

 

Mijn hoofd is leeg.
Een afgekloven peuk steekt tussen mijn oren.
Een stil liedje maalt en maalt en maalt en maalt.
‘Daar bij die molen, die mooie molen.’
Agde sur Mer is ver.

 

Ik leef in het zoenledige.
Een armoedzaaier met een modderfiguur.
Uiteengereten platgestreken egelstekels op de weg.
Het uitgedarmde bont van een onthaast konijn.
Agde sur Mer is errig ver.

 

Ton Lebbink

12
oktober

Stefaan Van Den Bremt (1941)

Bert Popelier (1945)

Rob Bartels (1953)

W.A.M. van Heugten (1913-1999)
Hedwig Verlinde (1945-2009)
 

een taal
is soms het leger
dat onverwacht ten aanval gaat
met zijn soldaten vecht hij zinnen vrij
van  klittende verhalen

 

een zin
is soms de landkaart
die  regelrecht de schatten toont
met zijn duiden sluit hij woorden uit
die wanhopig dolen

 

een woord
is soms het haardvuur
dat aangenaam verpozen biedt
met zijn vlammen likt hij punten los
van repeterende patronen

 

een punt
is soms het startschot
dat al het antwoord voorrang geeft
met zijn echo vult hij gaten op
dan gevolgd
door stilte

 

Rob Bartels

Op: https://www.professioneelbegeleiden.nl/gedicht

13
oktober

A. (Abraham) van Collem (1858-1933)
Tom Ordelman (1957-2016)
 

Bert Decorte (1915-2009)

Het wit en wankel kind

Het wit en wankel kind weemoedig als de meeuwen
verzeilt verzinkt in slaap midden de bloemenzee
wier vlokken vederschuim als kussen nedersneeuwen
zijn kusbesneeuwde slaap wil met het water mee

 

de wimpers die zijn oog met schaduwen beschermen
schuilen de schimmen weg die nevelig en groot
aan de zeegroene kim van zijn dromen zwermen
of sterven soms aan boord van een gebroken boot

 

wanneer de warme mond die hem zijn naam zal noemen
de wimpervlinders wekt der ogen van het kind
daalt zacht de stilte van hun vleugels op de bloemen
die bloeien blauwbedauwd en ziek van avondwind

 

dan plukt het kind de bloem die sterreblauwe geuren
giet op zijn gouden hoofd en op zijn wangenrood
het drinkt de toverdrank der klanken en der kleuren
het weet noch wenst een woord het drinkt en droomt zich dood.


Bert Decorte
In: Germinal (1937)

14
oktober

Friso Wiegersma (1925-2006)
Jan Blokker jr. (1952)
Maarten van der Graaff (1987)
Carmien Michels (1990)
 

Ton Lebbink (1943-2017)

Het dorp  

 

Thuis heb ik nog een ansichtkaart
waarop een kerk, een kar met paard
en slagerij J. van der Ven
Een kroeg, een juffrouw op de fiets
Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets
maar het is waar ik geboren ben
Dit dorp, ik weet nog hoe het was
de boerenkind'ren in de klas
Een kar die ratelt op de keien
Het raadhuis met een pomp ervoor
een zandweg tussen koren door
Het vee, de boerderijen

REFREIN:
En langs het tuinpad van mijn vader
Zag ik de hoge bomen staan
Ik was een kind en wist niet beter
Dan dat het nooit voorbij zou gaan

Wat leefden ze eenvoudig toen
In simpele huizen tussen groen
Met boerenbloemen en een heg
Maar blijkbaar leefden ze verkeerd
Het dorp is gemoderniseerd
En nou zijn ze op de goeie weg
Want ziet, hoe rijk het leven is
Ze zien de televisiequiz
En wonen in betonnen dozen
Met flink veel glas, dan kun je zien
Hoe of het bankstel staat bij Mien
En d'r dressoir met plastic rozen

De dorpsjeugd klit wat bij elkaar
In minirok en beatle-haar
En joelt wat mee met beatmuziek
Ik weet wel, ’t is hun goeie recht
De nieuwe tijd, net wat u zegt
Maar het maakt me wat melancholiek
Ik heb hun vaders nog gekend
Ze kochten zoethout voor een cent
Ik zag hun moeders touwtje springen
Dat dorp van toen, het is voorbij
Dit is al wat er bleef voor mij
Een ansicht en herinneringen

Toen ik langs het tuinpad van mijn vader
de hoge bomen nog zag staan
Was ik een kind, hoe kon ik weten
Dat dat voorgoed voorbij zou gaan

 

Friso Wiegersma

In: Telkens weer het dorp (2000)

15
oktober

Riekus Waskowsky (1932-1977)

Inge Lievaart (1917-2012)

Anneke Reitsma (1949-2019)

Als de stem van het water stilvalt
haar strelende vingers verstijven
verkleumd haar armen zich vouwen
om haar arme plankharde lijf
blijf dan niet staan als een dode
vlucht dan niet weg in het niets
zoek naar een woord dat opent
het is er het ligt al gereed
en beitel met koppige woede
een kerf in het ijzeren dak
een spleet in het zwart van de winter
zie het gat voor de zon wordt al groter
het lijf van het water wordt zacht
beweegt en strekt weer de leden
het vingert aan bloemen en gras
o het stamelt, hoor toe, het gaat klinken:
kom drinken, kom drinken

 

Inge Lievaart

In: Verzamelde gedichten (2000)

16
oktober

Jo Landheer (1900-1986)
Dorien Dijkhuis (1978)
Simon Mulder (1986)
 

M. Vasalis (1909-1998)

Die ze was

 

soms weet zij wie zij is
zoals wanneer ze bloemen schikt of danst
onder de douche

 

dagelijks zet zij thee voor haar gasten
ook voor de ongenode en ongeziene
van wie zij steeds vaker de namen vergeet

 

ook spullen verdwijnen
of nemen de plaats in van andere dingen
de lamp in het vriesvak de kip op de kast

 

wanneer zij het zelf niet meer weet
beginnen de bloemen te praten
vertellen de planten verhalen

 

van de vrouw die ze was

 

Dorien Dijkhuis

In: Extase (2015)

17
oktober


Simon Vestdijk (1989-1971)
Nel Noordzij (1923-2003)
Bea De Longie (1951)
 

Je ligt zo neergelegd te slapen
met twee ellebogen als wapen
en een kroontje haren aan je haar
al kijk ik er maar even naar
ik sla tot in mijn schoot alarm
en rijm een zoontje in je arm

Nel Noordzij
In: Wachtende mijn hart (1946)

18
oktober

Victor Brunclair (1890-1944)
Ans Wortel (1929-1996)
Willem Adelaar (1953)
Koos Dalstar (1950)
 

Maurice Gilliams (1900-1982)

In memoriam

 

De steven van een schip zo wonderwit
doorsneed de zee
met fee
Astrid
Over de gangway heen-terrassen stonden in massa zwart
trad zij in onze stad, trad zij in ieder hart.
De wiekslag van een vogel uit het hoge Noorden
gracielijk vergleed hij in haar handgebaar
Fris en minzaam waren hare woorden
en als een meer zo klaar.

Het meer! Waarvan zij in haar ogen ook de weerschijn droeg
daar was het dat een schiksel blind en dwaas haar sloeg
Zij die het voorhoofd hoog dit leven tegentrad
daar aan de blanke slaap werd zij zo sterk getroffen
de zonbezongen boomkruin wuifde wat
en van een vorstlijk lichaam was nog slechts het korte ploffen

Zeg mij nu niet: zovelen sneven in de golven
of: grauwvuur heeft de gravers in een mijn bedolven
Allen wacht de vale stond van stervensnood
en dood is dood
Zij was een kind
verliefd op zon en water verdarteld in de wind
Als zich naar onze kust de stijve steven wendde
kwam zij als uit de wonderwereld der legende
en zo was ook haar heengaan naar het geenzijds van de tijd

Hoe wordt nu nog ons purperen treurenis verblijd?
O stille wijding! Aan de drempel van ons hart gekomen
uit verten wazig en ijlwijd
werd zij naar een gebied geleid
over de stof in ’t heiligdom der dromen.

 

Victor Brunclair

In: Gedichten (2016)

19
oktober

Gerard Diels (1897-1956)
Jan Wolkers (1925-2007)
Paul Snoek (1933-1981)
Wilbert Cornelissen (1958-2018)
Thomas Blondeau (1978-2013)
 

Proustzeep

 

je bent anders zo verschrikkelijk zuinig met de kruimel,
de geurmolecuul,

 

of delicaat met een geluid, het tikken van bestek op
een porseleinen bord, of een beweging,

 

het (bijna) struikelen over een tegel;
Proust pakt één draad en trekt er heel voorzichtig aan;

hij mag nu even niet afbreken,
het verhaal moet in zijn geheel worden verteld;

 

Proust, de visser, Proust, de jager;
er is ook een tussentijd onverborgen in de dingen,

 

waartoe je wel eerst een tijdvreter nodig hebt,
een soort zeep dat verbanden uitwist,

 

dat je uit het heden tilt,
laat zweven met het overzicht van het verleden,

 

je wast
voordat je zelf gewassen wordt

 

Wilbert Cornelissen
In: Elke dag een / proefsleuven (2018)

20
oktober

Marnix Gijsen (1899-1974)
Paul Haimon (1913-1996)
Hans Warren (1921-2001)
Mustafa Stitou (1974)
 

Henk Kooijman (1928-1988)

Het geschenk van mijn vader

 

Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur;
mijn lieve vader
en ik.
Bij elk klokgetik
kwam zijn stervensuur
nader en nader.

Hij was rustig en goed;
lijk de moeder
die haar kindje heeft gedekt tot de kin,
en die heengaat op lichte voet,
stil en verblijd.
Zo wist hij zijn denken en daden bedolven
onder Gods warme barmhartigheid.

Hij stond langzaam uit zijn zetel op,
recht en sterk lijk hij had geleefd.
Zijn fijne hand
heeft gebeefd
op mijn hand:
een nevel over ontwakend land.

Hij heeft zijn laatste daad gedaan:
hij gaf me zijn uurwerk,
eenvoudig, zonder één woord,
en monklend is hij te rust gegaan.

Maar, toen ik hem zacht naar het bed geleidde,
wist ik
hoe een Engel, zingend, aanschreed achter ons beide.
Want moedig had mijn vader,
in mijn handen
afstand van daad en tijd gedaan.
Trots en wenend ben ik van hem heengegaan.

 

Marnix Gijsen

In: Het huis (1925)

21
oktober

Doeschka Meijsing (1947-2012)
Hans F. Marijnissen (1949)
Martin Bril (1959-2009)
Daan Doesborgh (1988)
Frank Keizer (1987)
 

Seth Gaaikema (1939-2014)

Daarachter

 

De diepte ja,
die kennen we.
Die is vaak nogal hartgrondig.

Maar de geur van violieren.
De deur naar de andere
kamer.
Waar ieder
voorwerp specifiek de geliefde
spiegelt.

Waar ieder
ander een rivaal is.

Die deur.
Daarachter.
Wie er liederen zingt.

Die.

Doeschka Meijsing
In: Paard Heer Mantel (1986)

22
oktober

Emad Fouad (1974)
Otto Treurniet (1957)
Lévi Weemoedt (1948)
Tine Hertmans (1947)
 

Rijk verleden

 

Ik was dronken toen ik je ontmoette
Ik was dronken toen ik je verloor
Wat kan er nog een hoop gebeuren
Tussen twee dronkenschappen door

Lévi Weemoedt
In: Rijk Verleden (1999)

23
oktober

Koos Speenhoff (1869-1945)
Michel van der Plas (1927-2013)
Antjie Krog (1952)
Dirk van Bastelaere (1960)
 

Willem van Iependaal (1891-1970)
Carel Swinkels (1921-1996)
 

Het is waar

 

het is waar dat het landschap zonder
mij zal voortbestaan dat de bomen die
voor mij de aarde vormen de vlak-
ten beminnen die mij bijeenvegen in vaandels los-
lippig licht dat het water het
dichtstbijzijnde geluid van aanraking weer-
spiegelt dat de maan achterover stort in
een struikgewas van pasgeboren
sterren het is waar dat het zal doorgaan

het is waar dat ik drie vrouwen naakt
op het strand van Marseille heb gezien
hun lijven drie geplooide zakken
hun haartjes waaiend als tissues in
de wind met korte pasjes liepen ze
het water in, hun boezem
ongerimpeld een stralenkrans van dampende
amechtige borsten blozend tot
in de tepels het is waar dat ik
mijn ogen er niet van af kon houden

het is waar dat ik in een etalage
drie soorten wegwerpluiers voor
bejaarden heb gezien, een onder-
steek, antischimmelspul, doorligzalf en
iets dat op een aardappelschiller
leek het is waar dat ik oude mensen
steeds nauwkeuriger gadesla
hoe ze hun voeten neerzetten hun
haren kammen dat ik mijn ogen hon-
gerend laat rusten op rimpelloze jonge huid het
is waar dat ik voor een afgrond sta

Antjie Krog
In: Lijfkreet (2006)

24
oktober

Hieke de Jong (1926)
Kester Freriks (1954)
Peter Winkels (1954)
 

Lidy van Eijsselsteijn (1904-1986)
Ankie Peypers (1928-2008)
 

Nacht

 

nacht
lig naast me
de zee spoelt in lange zwarte golven
verzet zich tegen het verhaal
het onweer trekt landinwaarts
het strand is breed en stil
lig naast me raak de zuilen aan
leg wat je zegt tegen me aan
als ik je ken en je verzamel
als ik naar je terugga

Ankie Peypers
In: De liefde verwildert niet (1987)

25
oktober


Hélène Swarth (1859-1941)
Th. Oegema van der Wal (1907-2000)
Christine D’Haen (1923-2009)
Willem Wilmink (1936-2003)
Willem van de Vrande (1940)
Lans Stroeve (1961)
 

Voor twee of drie

 

Gij die dit boek leest, denk niet laag van mij!
Ik kom niet, bleek en ’t oog van tranen rood,
Gelijk een arme, huis aan huis, om brood,
Vol deemoed, beedlen om uw medelij.

Waarom u dan mijn hand die beker bood,
Vol bitterzoete weemoed? – zet, o gij
Voor wie hij NIET is, snel die kelk terzij,
Waarin ik zacht mijn stille tranen goot!

Ik schenk de wereld wat ik dacht en schreef,
Opdat, als ik lang dood zal zijn en ’t mos
Dekt, op mijn graf, mijn uitgewiste naam,

Nog twee of drie het boek, dat ik nu geef,
Herlezen, op een eenzaam plekje in ’t bos,
Met dank en liefde: ik droom geen schoner faam.

 

Hélène Swarth

In: Sneeuwvlokken (1888)

26
oktober


Jan Wolkers (1925-2007)
Harry van de Vijfeijke (1946)
Renée Stoute (1950-2000)
Sacha Blé (1971)
 

Verlangen

 

Toen de zee, de zee nog oud was,

toen het zout op het land nog scherp was,

 

toen de stront nog niet in stenen kelders

stond, toen men onder de zerken

 

alleen nog kleren vond, moet er

een venster breed hebben gehangen,

 

de schilders schilderden de kleuren,

de zangers alleen de klanken,

 

van alle landen zag men die zee,

men zag het zout, de stront, het verlangen.

 

Sacha Blé

In: Afwezigheid (2003)

27
oktober


Urbain Van de Voorde (1893-1966)
Victor E. van Vriesland (1892-1974)
Frank De Vos (1956)
 

Geerten Gossaert (1884-1958)
Peter H. van Lieshout (1946-2017)
 

Met nog een geeuw op steen

 

Al noemt nu zich nu, het wet zich tot de dood

met de hunker van een zweer in een laatste opstoot

aan geduldige muren opgeschuurd.

 

De wind zet het geruis in bloei, dwingender

schudt hij aan hun langgerekte geeuw op steen,

aan hun kleuren als rijpe dieren voor de slacht.

 

Het kijken naar hierna wordt op smaak gebracht

en zal zich later noemen, genadeloos met een

lachbui op hun verlopen glans verstrooien.


 

Frank De Vos

In: Naamvallen in het ontheemde (2012)

28
oktober

Jean-Marie Berckmans (1953-2008)

H.W.J.M. Keuls (1883-1968)

Een stem uit het koor (fragment)

 

Rakketak rakketak rak-
ketak en tsjakkedzjoeng en
snottebel snottebel snottebel
ratelt bitsige bijtende noordwestenwind
door de bange straten van barakstad
over elders regent het ellenlange flinterdun-
ne pijpenstelen en zo groot als goudrenetten
donderen de hagelbollen neer op kale krui-
nen van de radelozen van de donderdag en
de troostelozen van de vrijdag
al hun paperassen zijn perfect in orde maar
zwart was de ster van hun kribbe en boven-
dien zijn ze naakt geboren
ze zijn met de huifkar uit Bosnië-Herzego-
vina gekomen en er is geen weg meer terug
al in de gloria
met haken en ogen hangt de hedendaagse
held aan elkaar
met veiligheidsspelden en nietjes en elas-
tiek en van die superlijm van pattex

 

J.M.H. Berckmans
In: Een stem uit het koor (2020)

29
oktober

Rien van den Heuvel (1945).

 

Antony Kok (1882-1969)

Victor van Vriesland (1892-1974)

J. Bernlef (1937-2012)

Prachtig

 

Beroemd maar dood vroeg hij: en
wat bleef er van mij over?

Ik wees op een losse regel
een uit zijn verband gerukt citaat
meestal toegeschreven aan een ander.

Voetafdruk op een verlaten strand
vol lege, uitgewoonde schelpen.

Prachtig is de onsterfelijkheid
maar wat doen wij in de tussentijd?

 

J. Bernlef
In: Vreemde wil (1994)

30
oktober

Gerard Bruning (1930-1987)

Max Niematz (1942)

Jolies Heij (1964)

Harry Mulisch (1927-2010)

Wim Gijsen (1933-1990)

Mickey Walvisch (1941-2011)

Bang

 

Als een kleuter in het donker.
Ik ben je kwijt en jou en jullie allemaal.
Waarom geeft niemand antwoord als ik roep?
Geef antwoord, dood of levend.
Ik word nooit ouder.
Ik wil mijn lampje met de toverfee terug
En met mijn hoofd onder mijn vaders jas
Tegen de wind in gaan,
Opgegooid worden
En veilig landen in zijn armen.

 

Mickey Walvisch
In: Hollands Maandblad 401 (1981)

31
oktober

Seerp Anema (1875-1961)

Willem Enzinck (1920-2001)

Herman van Rompuy (1947)

met schuim en geruis
stormt de zee af op het strand
daar wacht de vrede

 

Herman van Rompuy
In: Haiku (2012)

Inloggen / registreren

Ik ben al gebruiker

Voer uw e-mail adres en uw wachtwoord in om u op de website te identificeren.

 

Wachtwoord vergeten?

 

Schakel JavaScript in om gebruik te maken van onze inlogfunctie

Voer uw e-mailadres in en klik op herstellen. Als u met het ingevoerde adres inderdaad al een account heeft bij ons zult u per e-mail een nieuw wachtwoord ontvangen.

Ik wens gebruiker te worden

Registreren Sluit popup