November

geboren
overleden

1
november

Tony de Ridder (1864-1961) 

Eddy Evenhuis (1920-2002) 

Rudy Kousbroek (1929-2010) 

Huub Oosterhuis (1933)

Rudy Witse (1944-2018)

Job Degenaar (1952)

Esther Porcelijn (1985). 

Jacques Perk (1859-1881)

Cor Stutvoet (1906-1990).

Errata *)

 

Voor 'kussen' lees: 'kussens',
Voor 'vliegen' lees: 'liegen',
Voor 'van jou' lees: 'van niemand',
Voor 'nood' lees: 'wet'.

Voor 'nu' lees: 'later',
Voor 'later' lees: 'nooit',
Voor 'weten' lees: 'vergeten',
Voor 'waarom' lees: 'daarom'.

Voor 'stenen' lees: 'brood',
Voor 'trouwen' lees: 'branden',
Voor 'jong' lees: 'oud',
Voor 'zwijgen' lees: 'goud'.

'Twee' moet zijn: 'een',
En geen vraagteken achter 'meer'.

*) In de geest van Paul Muldoon

Rudy Kousbroek
In: Dierentalen en andere gedichten (2003)

2
november

 Augusta Peaux (1859-1944)

 E. du Perron (1899-1940) 

 Catharina van der Linden (1909-2002)

 Frans van Dooren (1934-2005)

 Charlotte Mutsaers (1942)

 Leopold M. Van den Brande (1947)

 Meindert Talma   (1968)

 Désanne van Brederode (1970)

 Dimitri Verhulst (1972).

Bab Westerveld (1926-2008)

Eenzaam kerkhof

 

De witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
de takken wiegen hun stille dromen
op donkere armen in sluiers van rouw,
het sleepkleed der treurende essenbomen
raakt bloeiende grassen in avonddauw.
Hoog groeien de grassen,
wind die ze zaaide,
wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
geen hand die ze plukte, geen zeis
die ze maaide
de witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
op de hekspijlen buigen de bomen
hun donkere hoofden in krip van rouw
hun hangende sluiers beroeren de klachten
der witte rozen en het schemerrood
der oude daken, vele wolkengeslachten
gaan het hek over, de bloemen en de dood.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
sluiten de doden van 't leven af,
zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde
bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf
en de wagenmenner, in 't beeld van de sterren
ziet ernstig peinzend omlaag,
ver ligt al de aarde, een stip, zo verre
en zijn paarden gaan zo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
en waar geen werelden meer zijn,
de steppenvlakten door van een eindeloze,
vage, onbekende hemelwoestijn.

 

Augusta Peaux

In: De wilgen, de velden, het water (2014)

3
november

Guus Luijters  (1943)

Jan Boerstoel  (1944)

Yerna Van den Driessche (1949)

A. van Collem  (1858-1933)

Eric van der Steen  (1907-1985)

 

Soms zou men zich in Nice ...

 

soms zou men zich in nice
te parijs kunnen wanen
ik doe het wel wanneer
ik langs de kade loop
want in de schaduw van
de bloeiende platanen
zijn oude boeken en
kostbaar antiek te koop
zo zoek ik onder 't groen
tussen de bruine boeken
de enkele oude verzen
die ik nimmer vind
en denk zal na een eeuw
een vrouw zo naar mij zoeken
vergeefs omdat men niet
verkoopt wat men bemint

Eric van der Steen

In: Kortom (1938)

4
november

Judith Herzberg (1934),

Willem van Toorn (1934),

Harrie de Koning (1955)

Peter WJ Brouwer (1965)

André Demedts (1906-1992)

Hubert van Herreweghen (1920-2016)

Ans Wortel (1929-1996)

Neerijnen

 

Ontelbare malen hier gezeten, de bocht
met zicht op Nijhoffs brug, daarachter
de kleine stad, nu weggemoffeld in
een doolhof van geldzucht – maar toch

 

nog steeds de trage schepen die stroomopwaarts
hun weg zoeken naar ouderwetser geld
dat nog naar zweet ruikt, naar havens. Namen
in je geheugen, Lobith-Tolkamer, Lorelei, Trier, Bazel.

 

Sneller stroomafwaarts. Je wilt dat het water
zich je herinnert, hoe je hier met je voeten
in kleine kolken stond, hoe je als kind al wist
dat deze rivier bergen had aangeraakt, beboste oevers,
kaden, andere talen, en nu jou meevoerde,
een onbenoembaar iets van jou, tot diep in oceanen.

 

Willem van Toorn
In: De dagen (2020)

Geraffineerde liefde

 

Gewoon jij,

zonder wij

de parel in

de vloeibare mens

dat is liefde zonder grens.

 

Gewoon jij

is helaas geworden:

geraffineerde liefde.

Gescheiden en gezuiverd

als brandstof voor wij.

 

Lange rijen bij

tankstation “de ander”

waar naar keuze geraffineerd

respect, geduld, trouw,

eenheid, vertrouwen,

veiligheid, intimiteit en sex

met relaties wordt betaald.

 

Het is getankte liefde

zonder gewoon jij,

verworden tot brandstof,

brandbaar en vol ontploffingsgevaar.

 

Gewoon jij

verlangt naar

vrijheid zonder wij.

Niet wij maar gewoon jij

herbergt al die felbegeerde

onbaatzuchtige liefde

als een parel van grote waarde.

 

Ga terug naar de bron van leven

die je eens de echte liefde openbaarde.

Omarm daarom jezelf,

zoals je bent.

Ontdooi en wordt

de vloeibare mens

van echte liefde zonder grens.

Echte liefde is dan

de parel van

innerlijke rust en vrede,

een staat van zijn.

Al of niet gedeeld met mensen

gewoon zoals jij.

 

Nieko Noordzij

Op: https://www.niekonoordzij.nl/gedichten.html

6
november

Bea Vianen (1935-2019),

Gerard Stigter (K. Schippers, 1936-2021)

Fred Papenhove (1956)

Hartenjagen

 

Wanneer je bij een kaartspel

dertien kaarten van dezelfde soort krijgt,

is de kans op herhaling

1 : 635.013.559.598.

 

Het aardige is eigenlijk

dat iedere samenstelling van dertien

dezelfde onwaarschijnlijkheid

van herhaling heeft.

 

Zo kan een café vol of leeg zijn,

kan het vijf dagen regenen

of een week lang om de dag,

zijn er soms drie bolhoeden in een straat te zien,

of geen

of een,

vreemd blijft het.

 

K. Schippers

In: Een klok en profil (1965)

7
november

Albert Helman (1903-1996)

Jan Vercammen (1906-1984)

Maurits Mok (1907-1989)

Ophelia

.

Ophelia, wit licht diep in het water

en de verukkelijke wonde van uw mond.

Uw duistre woorden werden dierbaar later

wanneer ik plotseling hun zin verstond.

.

Gij ziet het licht niet, want uw open ogen

zijn afgesloten met de schaduw van de dood,

o duisternis in hun verzonken bogen.

Ik was het leven dat gij duizelig ontvloodt.

.

De tijd beweegt zich traag als vinnen

van zilvervissen en ontstellend bloot.

Ophelia, nog moet ik u beminnen,

wit licht, verlokking tot de dood.

 

Jan Vercammen

In: Verzamelde gedichten (1976)

8
november

Maarten Embrechts (1946)

Aad Nuis (1933-2007)

Het mes met confituur
 

Boeken kunnen alles zeggen

vooral over onszelf

 

Hun letters zijn maar het staketsel

dat ons voor de vloed beschermt

 

Boeken bewaren bloemblaadjes

bidprentjes en soms geld

 

En als bladwijzer het mes met confituur

voor ons dagelijks ontbijt

 

Maarten Embrechts

Op: https://www.roer.land/post/maarten-embrechts

9
november

H.M. van Randwijk (1909-1966)

Johanna W.P. Hell (1931)

Jacques Schmitz (1946)

Agnita Feis (1881-1944)

C.C.S. Crone (1914-1951)

Werner Spillemaeckers (1936-2011)

Later stond hij in de Lichte Gaard
nog naar de sterren te kijken.
Nu had hij bij zijn verdriet
nog de hik gekregen.

 

C.C.S. Crone

Op: https://straatpoezie.nl/gedicht/later-stond-hij-in-de-lichte-gaard/

10
november

Willem Penning (1840-1924)

Jan van Nijlen (1884-1965)

Margot Vos (1891-1985)

Oda Blinder (1918-1969)

Rick de Leeuw (1960)

Wannes Van de Velde (1937-2008)

De schepen

 

Ik hoor vanavond verre schepen fluiten
En, even hopend, schoon ik niets verwacht,
Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten
En zie de haven in de blauwe nacht.

Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind,
Soms midden in de nacht, maar meestal tegen
De avond bij het opgaan van de wind,
Als moeder zei: 'wij krijgen zeker regen'.

Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken
Ver van het huis en het misprezen land,
De begenadigden, de zachte gekken
Die zullen zoeken naar een vaderland.

En in mijn dromen voer ik met hen mee.
Ofschoon geboren in een buurt der haven,
Bereikte ik nooit de oever van de zee,
Laat staan Tananarive of Tamatave.

Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen
En door de droom nog voortleeft in de man,
Weet nu dat een klein stukje heide en dennen
Alles bevat wat de aarde geven kan.

Maar soms, al ben ik bitter en gehard
Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten
Vloed van verlangens mijn onwillig hart
Als in de nacht de verre schepen fluiten.

 

Jan van Nijlen

In: Verzamelde gedichten (1964)

11
november

Christina Guirlande (1938)

Dimitri Antonissen (1974)

Danielle Schokker (=Daniëlle Inspireert, 1981)

Hugo Pos (1913-2000)
Gust Gils (1924-2002)
Sonja Pos (1936-2020)
Ilse Starkenburg (1963-2019)
 

Kijk haar, ze denkt dat ze alles weet
en 's nachts zwemt ze in wolken
maar ze weet nog niet eens
hoe ver ze kan gaan
en in haar dagboek staan dingen
waar god te moe van wordt
en maar weinig voor de eeuwigheid
dat de wolken zo mooi zijn.

Ilse Starkenburg
In: Verdwaald ontwaken (1990)

12
november

A.J.D. van Oosten (1898-1969)

Johnny van Doorn (1944)

Daniël Dee (1975)

Jozef Eyckmans (1907-1996)

Een magistrale stralende zon

Verdwaald in de duisternis
Is hij terechtgekomen in
Een soort woestenij die
Met dopheide en kleine
Heesters is begroeid &
Aankloppend bij een
Afgelegen boerderij
Waar een flauw lichtje
Hem doet vermoeden
Dat er iets van leven
In aanwezig moet zijn
Wordt hem opengedaan
Door een kleine kale
Scheelogige monnik
Die hem gastvrij en
Onderdanig ontvangt
In zijn stemmig blauw-
Geschilderd vertrek
Dat onder het schenken
Van een chinees kopje
Thee door hem plechtig
Wordt genoemd DE HAL
DER KENNIS die slechts
Toegankelijk is voor
Zij die door de
Stilte zijn gegaan &
Zijn tranen nauwelijks
De baas kunnend weet
Hij terstond dat
Deze oude magiër
Zijn langgezochte
Leermeester moet zijn
Die op zijn weg
Naar het door hem
Begeerde MIDDELPUNT
Zijn toeverlaat zal
Zijn in moeilijke uren &
Als hij na een gerief-
Lijke nachtrust bij
Het kraaien van de haan
Het huisje van zijn dromen
De rug toekeert om met
Zijn zwerftocht verder
Te gaan is er zoveel
Gebeurd dat in tegen-
Stelling met die avond
Tevoren hij gevuld is
Met een nieuwe lading
Levenskracht die hem
Doet jubelen over de
Vol met kwinkelerende
Vogels zijnde Natuur
Die goudgeel beschenen
Wordt door een magi-
Strale stralende ZON

Johnny van Doorn
In: De heilige huichelaar (1968)

13
november

Joop Oversteegen (1900-1994)

Paul de Vree (1909-1982)

Nico Scheepmaker (1930-1990)

Herwig Verleyen (1946)

Dick Ronner (1956)

René Verbeeck (1904-1979)

Lizzy Sara May (1918-1988)

Mia Gerhardt (1918-1988)

Nico Slothouwer (1956-1987)

Skelet

mijn eigenste

waarom knijp je zo hardnekkig

mijn gewrichten klem

ben ik je niet meer te vriend?

misleid heb je me

verstoppertje gespeeld

en laffelijk, niet?

mijn argeloos vertrouwen

gefopt

je was nooit mijn gezel

je bereidt je aanslag

verachtelijk voor

loonslachter

 

Paul de Vree

In: Verzamelde gedichten (1979)

14
november

René De Clerq (1877-1932)

Dorien De Vylder (1988)

K.L. Poll (1927-1990)

Jan Berghmans (1938-2009)

Vormeloos

 

Als ik in de rivier glijd, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

 

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

 

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt.

 

Alsof het altijd zo geweest is.

 

Dorien De Vylder

In: Vertraagd stilleven (2017)

15
november

Jan Terlouw (1931)

Willem Jan van Wijk (1943)

Qader Shafiq (1968)

Runa Svetlikova (1982)

Salvador Hertog (1901-1989)

Ben Cami (1920-2004)

Strijk alle eer op

 

Zoals je na de griep eindelijk weer opstaat en geniet
dat je niet meteen weer moet gaan liggen zoiets

 

als bij een wandeling – te ver te donker te veel modder
plots weer bij het pad staan zoiets

 

zoals je na het zwemmen – te diep te hoge golven
wind aanlandig, onverwachts

 

het zand onder je voeten voelt en denkt
dit. Dit heb ik zelf gedaan en deze nieuwe grond

 

heb ik gevonden, deze kust
is alleen voor mij.

 

Runa Svetlikova (1982)

In: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen buiten de deur te houden (2018)

16
november

Bert Verm (1945-1984)

Jan H. Mysjkin (1955)

Lieve Desmet (1959)

Hester van Beers (1995)

J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)

Edgar Caïro (1948-2000)

Kees van Kalmthout (1948-1991)

opnieuw

 

van welk begin

je het ook bekijkt

 

Er bestaan zonder twijfel

meerdere vluchtpunten

maar het lukt je nimmer

die tegelijk te bezien

 

Op de een of andere

wijze is er slechts

een ingang mogelijk

en dat gezien als

 

onze ogen samensmelten

als de einder verdicht

tekent voor mij reeds

een ander ogenblik

 

Kees van Kalmthout

In: Achter de nadag (1981)

17
november

A.W. Grauls (1889-1968)

Eric Derluyn (1943)

Arie Visser (1944-1997)

Bert Bevers (1954)

Jan Sloots (1928-2007)

R. Dobru (1935-1983)

Jacques Hamelink (1939-2021)

Het kamermeisje zwijgt

 

Langzaam heult de reiziger samen met deze

vreemde kamer. Bij de loosheid van de tijd aarzelt

 

hij, bij het schijnlicht in de stilte van dit stadje weet

hij vooral te houden van lege boeken. Nabij, op

 

de gang, is het kamermeisje pompaf. Ze rust even

uit met de handen op de heupen. Witter dan

 

geitenmelk is haar huid. In de pinkbrede gleuf

tussen haar borsten parelt wat zweet. Uit haar

 

vroege mond geen verzwegen sleutelwoorden.

 

Bert Bevers

Op: https://www.bertbevers.com/

2)

18
november

Saul van Messel (1912-1993)

Toon Tellegen (1941)

Monique Hagen (1956)

Joost Zwagerman (1963-2015)

Thomas Möhlmann (1975)

Joost Oomen (1990)

Hendrik de Vries (1896-1989)

We ademen

 

Wat ons redt en verslindt is dat we geloven
we houden zielsveel van de overzichtelijkheid

van onze angsten en verlangens, ik hang mijn
armen overtuigend verdwaald om je schouders

we houden elkaar stevig vast, ik beloof je
in en uit te blijven ademen, en je zolang

ik adem niet te vergeten, je niet verdwaald
te laten raken, kijk om je heen en kijk goed

naar mij, het is wat geloven, het is wat ik
als je sliep of naast me liep steeds zeggen

ik heb honger en heimwee, we liggen vanavond
goddank weer zij aan zij, eten en bewaren elkaar.


Thomas Möhlmann
In: Ik was een hond (2017)

19
november

Henriëtte Baart de la Faille-Wichers Hoeth (1872-1940)

Karel van den Oever (1879-1926)

Anton Martineau (1926-2017)

Fem Rutke (1934-1991)

Het groote wonder

 

Iedren avond kijk ik weer

Naar het groote wonder:

Door het zwarte sparrenwoud

Gaat de vuurbol onder

 

Iedren avond peins ik weer

In die gulden uren,

Die met oogen van robijn

Door de takken gluren.

 

Iedren avond lig ik weer

Naar ’t geheim te luistren,

Als de lanen van het bosch

In den schemer duistren.

 

Daar raakt mij wel ’t Lven aan.

Grooter wordt het wonder,

Lichter is het voor mijn oog

Nu de zon gaat onder.

(1920)

 

Henriëtte Baart de la Faille-Wichers Hoeth

In: Verzen (1926)

20
november

Sander Meij (1980)

Irene Wiersma (1985)

DETAILS

 

Ik zocht naar een woord
toen ze weer aan me vroeg
of we misschien konden praten

 

Ik ben bekend met dit jargon
het woord is me even ontschoten
maar het had met deductie te maken

 

de oude Grieken kennen zes woorden voor liefde
haar espressomachine bereidt zes soorten koffie
de vraag is waar hier de vooruitgang zit

 

waarom ik zo deed, wilde ze weten
ik vroeg haar wat ik ervan denken moest
dat ze elk bericht weer met ‘liefs’ afsloot

 

Sander Meij

In: Pincetbeweging (2019)

21
november

Firmin Van Hecke (1884-1961)

Richard Foqué (1943)

Liesbeth Ulijn (1950)

Scott Rollins (1952)

Benno Barnard (1954)

Victor Brunclair (1890-1944)

Muus Jacobse (1909-1972)

Guillaume van der Graft (1920-2010)

Hans Presseisen (1921-1944)

Jac Vroemen (1936-2014)

Frans Hoppenbrouwers (1940-2013)

Robert Joseph (1943-2003)

je fiets trapt zo zwaar

 

ik probeer al een jaar

te proeven van verdriet

dat sluimert onder het vel

van de dode tijd

 

je fiets trapt zo zwaar

je ringen passen niet

de armband wel

en die is kwijt

 

Liesbeth Ulijn

In: de windhapper (2007)

22
november

Katja Gebbink (1969)

Henriëtte Roland Holst-van der Schalk (1869-1952)

Gaston Durnez (1928-2019)

De stilte der natuur heeft veel geluiden

 

De stilte der natuur heeft veel geluiden
en is toch vol van rust voor ziel en zinnen
die druppelt zacht en ongemerkt naar binnen
tot in ons hart een zilv'ren toon gaat luiden
gelijk met haar. Als we dan weer beginnen
te denken aan wereld-dingen en ze te duiden
merken we dat een kracht, als die van kruiden
in ons gekomen is en ons kalm doet minnen.

Er zijn nu veel, die dit geluid nooit horen:
zij missen het aandachtige en het tere
als wie als kind geen moeder heeft gehad.

Maar de tijd die komt zal mensen weer leren
gelukkig te zijn onder haar akkoorden
en drijven uit hun bloed de koorts der stad.

 

Henriëtte Roland Holst-van der Schalk

In: De nieuwe geboort (1903)

23
november

Jeanne Wesselius (1931-2010)

Sipko Melissen (1941)

Wilfried Adams (1947-2008)

Ayatolla Musa (1979)

Lars van der Werf (1987)

Joop Oversteegen (1900-1994)

Boudewijn Büch (1948-2002)

November

 

Vijfenveertig, dat begint al aardig

aan te tikken. Vorige week was ik

pas dertig, twintig een ademtocht voordien.

Mijn twaalf, zeven en vier zie ik zo vóór me.

 

Van leugens en breedvoerige verzinsels

heb ik die jaren ruim mijn deel gehad.

Van liefde ook, hunker, honger en verdriet

om dode vrienden of die zomaar gingen.

 

Maar elke dag komt ook voor mij de zon

weer op en heelt genadig mijn gebeente

en streelt de hand die dit gedicht moet schrijven:

 

Opdat herinnering niet doven zou

en toekomst als een boek zich openvouwen

prijs ik de Naam, en tel mijn adem af.

 

Wilfried Adams

In: Met name (1997)

24
november

Jules Deelder (1944-2019)

Arjan Witte (1961)

C. Buddingh’ (1918-1985)

Jeanne Wesselius (1931-2010)

Gerrit Krol (1934-2013)

Michel Martinus (1948-2021)

Jules Welling (1949-2016)

Over God

 

Over God denk ik
maar zelden na.
Straks, als we dood zijn,
zullen we 't wel merken.

Hoewel: hoogstwaarschijnlijk
merken we niks.
Fini is 't kortstondig feest.
We zijn er gewoon geweest.

 

C. Buddingh’

In: Buddingh’ gebundeld (2010)

25
november

Julius de Boer (1873-1966)

Maarten ’t Hart (1944)

Gerry van der Linden (1952)

Abdelkader Benali (1975)

K. de Josselin de Jong (1903-1991)

Sheila Cussons (1922-2004)

Aan de overkant

 

Aan de overkant
wordt een boom omgezaagd
op de kade liggen takken
de boom ploft neer
het licht valt op de stenen
vier mannen in oranje overalls
leggen stalen kabels om zijn bast
hij wordt opgehesen
de boom komt langs het raam
de kamer verdwijnt in zijn schaduw
de mannen schreeuwen
de boom trekt verder door de lucht
die blauw is als een poppenoog.

Gerry van der Linden

In: Glazen jas (2007)

26
november

Herman Gorter (1864-1927)

L.P.J. Braat 1908-1982)

Blanka Gyselen (1909-1959)

Paul Rodenko (1920-1976)

Hans van Pinxteren (1943)

Mats Beek (1958)

Februarizon

 

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano's.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker aan
de eerste lentewind.

Paul Rodenko
In: Ovensnijder, tulpensnijder (1975))

27
november

Peter Heringa (1945-1987)

Ido Keekstra (1909-1965)

Ido Keekstra (1909-1965)

Guido Gezelle (1830-1899)

Emile Verhaeren (1855-1916)

Martin Leopold (1908-1982)

Ik ga op reis, ik weet niets van mijn terugkeer af

Misschien kom ik niet weer, geen mens kan zeggen:

tot morgen, want de dood kan dat weerleggen.

Spreek dit niet tegen, zwijg, want ieder vindt zijn graf.

Als ik moet sterven op mijn dagretour

denk aan de vleugels waarmee vogels vliegen

aan ’t diepe blauw waarin de wolken wiegen

en aan de hemel boven deze vloer.

En niet aan mij, nimmer aan mij, die onverzoend

met ’t leven en de dood, en in zichzelf verloren

de stemmen van het nabestaande niet kon horen

hoezeer hij zuchtte naar een woord van …


Ido Keekstra
In: Huis van Nobi (1967)
 

Inloggen / registreren

Ik ben al gebruiker

Voer uw e-mail adres en uw wachtwoord in om u op de website te identificeren.

 

Wachtwoord vergeten?

 

Schakel JavaScript in om gebruik te maken van onze inlogfunctie

Voer uw e-mailadres in en klik op herstellen. Als u met het ingevoerde adres inderdaad al een account heeft bij ons zult u per e-mail een nieuw wachtwoord ontvangen.

Ik wens gebruiker te worden

Registreren Sluit popup